De Sportieve En Technische Atleten van het Ceresdorp

Emmen

De roemruchte voetbalvereniging Seta uit Musselkanaal viert op 10 juni 2017 haar zestigjarig jubileum. Op de planning voor die dag staat een kort feestprogramma met aansluitend een reünie.

Bestuur en feestcommissie willen het heuglijke feit met zoveel mogelijk mensen vieren en doen een oproep aan leden en oud-leden om zich te melden. Dat kan via acvs@kpnmail.nl, website www.vv-seta.net en de Facebookpagina 60 jarig bestaan v.v. Seta, waarop regelmatig nieuwe informatie verschijnt. Aanmelden kan ook via: Jan Abee 06-22231169 (feestcommissie) of Jan Hartman 06-15519871 (clubvoorzitter). Op verzoek van redacteur Paul Abrahams van de Kanaalstreek blikt Herman Sandman terug op zijn periode als voetballer van Seta. Sandman was voor zijn vertrek naar Dagblad van het Noorden redacteur van deze krant en heeft een aantal boeken uitgegeven. De voorzitter heette Kort en bij nieuwjaarsspeeches deed hij graag zijn eigen naam eer aan. Tot grote vreugde van de kantine, want voetbalclub Seta, dat volgend jaar het zestigjarig bestaan viert, was in mijn tijd geen praatgroep. Nog steeds niet. De vier letters zijn een vernaming van de afkorting. S.E.T.A. Dat staat officieel voor Sportclub Eerste (Exloër)mond Tot Afdraai. De meest nauwkeurige geografische aanduiding in ons land in een clubnaam, voor zover ik weet. Tegenstanders maakten er Schopt En Trapt Alles, al spraken we zelf liever van Sportieve En Technische Atleten. In de jaren negentig, toen een goede generatie het tot de derde klasse KNVB schopte (wat nu tweede klasse zou zijn), kwam daar een andere benaming bij: Het lelijke eendje van de Kanaalstreek, met de toevoeging dat die nu een zwaan was geworden. Want in de hiërarchie van de regio, met grotere clubs als Nieuw-Buinen, Musselkanaal, SJS, SPW en Stadskanaal op fietsafstand, hingen we onderaan de ladder. Toch is het sportpark bij de wijk Ceresdorp, dat in die tijd een twijfelachtige reputatie genoot, een half leven mijn tweede thuis geweest. Ik was een jaar of zeven toen ik er aan de hand van mijn vader binnenstapte en voor in de dertig toen ik afscheid nam en de gelederen van WVV 5, ik woonde inmiddels in Winschoten, versterkte. Het was overigens geen groots afscheid. Een handdruk, een ‘moi’ en het leven ging verder. Ik heb er lief en leed gedeeld, vreugde en verdriet. Ik stond soms doodsangsten uit als ik met Harrie Scholtens, die in het Ceresdorp woonde, naar het sportpark fietste. Hij wilde in die tijd op John Travolta lijken, maar het Ceresdorp was geen plek voor mensen die dachten dat ze John Travolta waren. Dus we werden soms opgewacht. Althans, hij dan. Het is een van de herinneringen aan mijn voetballend bestaan. Ook mijn eerste doelpunt vergeet ik nooit, tegen SPW, in C1. De keeper had de bal aan de voet en van de kant hoorde ik: "Joag hom moar op." Waarop ik op de goalie afrende, deze in paniek raakte en de bal wegschoot, tegen mijn scheenbeen en de, toen nog ‘leren knikker’ in het doel caramboleerde. In de jeugd heb ik mijn hele leven tegen SPW gespeeld. Onstwedder Boys, Alteveer, Mussel, JVV, SJS, Westerwolde, noem al die clubs maar op. Je kende elkaar door en door en bleef elkaar tegenkomen. Niet alleen Seta voelde als een thuis, de hele voetbalwereld in Zuidoost-Groningen. Goed, soms gaf je iemand een doodschop, maar dan kreeg je een doodschop terug. Je gunde mekaar wat. Een beperkte voetballer Mijn geluk, want ik vond en vind mezelf een beperkte voetballer, was dat het een kleine vereniging was en dus leest mijn voetballoopbaan als de ontwikkeling van een talent: E1, D1, C1, B1, A1 en vervolgens het eerste. Dat ik tien jaar lang als aanvaller in de hoofdmacht heb gespeeld kwam echter omdat ik, tussen de betere voetballers, mij een slag in de rondte werkte en nu en dan een goaltje meepikte. Ik wilde graag Milko Djurovski zijn, maar dat lukte alleen qua uiterlijk en liederlijk gedrag. Voor de wedstrijd kreeg ik de standaard tactische aanwijzing: "Gai doe ze doar veur moar n beetje in wege lopen, Herman." Ik smaakte het genoegen deel uit te maken van een goede generatie. Bijna allemaal jongens van de streek en als selectie vulden we elkaar aan. De een kon dit, de ander dat en gek genoeg hadden we altijd prima keepers. Ik weet niet of vrienden de goede term is, maar ik weet wel dat als ik een oud-teamgenoot tegenkom, het onmiddellijk vertrouwd voelt. We hebben een verleden met elkaar en omdat je zoveel tijd samen doorbracht, twee keer in de week trainen en een keer wedstrijd plus nazit, is er een band die nooit verdwijnt. Knap die baalen der toch in Ook met de rest van de club trouwens. Scheiding tussen selectie en andere elftallen bestond bij een kleine club als Seta niet. Als je slecht speelde, wat regelmatig voorkwam, in dat opzicht was ik wel weer net Djurovski die ook 1 op 6 liep, kreeg je dat te horen. Meer dan eens verzuchtte voorzitter Jop Kort: "Manmanman, Sandman, knap die baalen der toch in." Meestal terecht, een gevolg van een rijk sociaal leven, dat zich vooral in discotheek Frascati afspeelde en dat op vrijdagavond al begon. Hoe het bij andere clubs is weet ik niet, maar er zat veel humor bij Seta. De voorzitter, hij weer, merkte in een mindere periode eens op: "We zitten in de klap waar de hoeken vallen." En toen trainer Tjidde Faber een briefje van honderd aan Gerrie ten Hoff gaf met het verzoek om een beetje bier te bestellen en Ten Hoff naar de bar liep met de mededeling dat hij voor honderd gulden bier wilde, vroeg barman Karel Tjarks verschrikt: "Veur honderd gulden?" En ondanks dat het ook niet helemaal de bedoeling van Faber was, antwoordde Ten Hoff: "Joa, bist toch nait doof?" Een no nonsense club De meeste verhalen in mijn bundel De dronken rechtsbuiten, alsmede de voetbalroman FC Hopeloos, zijn geïnspireerd op mijn tijd bij die kleine club op de grens tussen Musselkanaal en Stadskanaal. Een no nonsense club, zoals verslaggever Arie Weits het ooit in deze krant omschreef. Dat vond ik mooi gevonden. We waren gewoon, deden onze best en meer kun je niet doen. Een familiedag, de traditionele seizoensafsluiting, was een echte familiedag. Een toernooitje met door elkaar gehusselde elftallen, moeders, dochters en vriendinnen die van de partij waren en na afloop barbecue. Als het vlees op was en het laatste fust bier bijna leeg, gingen we tot slot penalty schieten. Ik vond het telkens een bijzondere ervaring om mijn moeder een strafschop te zien nemen en Okko, de helaas al overleden broer van Gerrie, trok, om de feestvreugde verhogen, voor de aanloop zelfs zijn broek naar beneden en daarna gingen kantine en velden op slot en was het vakantie. Ondanks dat het ledental nu een stuk minder is, bestaat Seta, tegen alle verwachtingen in, nog steeds. Er zijn mensen die de club in leven houden en die nu druk bezig zijn met de jubileumviering, op 10 juni volgend jaar. Daarin heb ik een bescheiden rol, zoals ik ook ooit in het veld had. Of ik iets kon betekenen in de publiciteit, was de vraag. Dat kon ik en daarom was ik enkele weken geleden sinds tijden weer op Sportpark Ceresdorp. Alsof ik geen twintig jaar was geweest. We hoefden niet bij te praten, we gingen verder waar we bij het laatste ‘moi’, bij mijn afscheid als speler, gebleven waren. Dat er niks veranderd was, bleek toen Henk Spelde de bestuurskamer binnenkwam en mij begroette met: "Och God, nee toch."  

Auteur

Paul Abrahams