Nieuwjaarsdag

Zuidbroek - ,,Heb jij nog goede voornemens?'' Mijn nichtje kijkt mij triomfantelijk aan. ,,Goede voornemens?'' ,,Hmmm, daar moet ik even over nadenken'', zeg ik. Ik heb mijn leven lang niet aan goede voornemens gedaan. 

Er nooit over nagedacht. Ik wilde gewoon dat alles doorging zoals het was; dat er niemand dood zou gaan, dat ik te eten zou blijven krijgen en dat vader nooit zou stoppen met voorlezen. Achteraf snap ik waarom dit verlangen naar continuïteit zo aan mij trok. Ik wilde niet volwassen worden, de onschuld en nieuwsgierigheid van een kind behouden. ,,Ik denk dat ik jullie vaker wil opzoeken'', zeg ik na een tijdje. ,,Zodat we nog vaker leuke dingen kunnen doen.'' Ze knikt goedkeurend. Zelf wil ze beter leren rekenen zegt ze, wat een opmerkelijk verstandig voornemen is voor een kind van zes jaar. Mijn oom roert ondertussen afwezig met een rietje in zijn glas. Hij heeft nog geen hap gegeten. Ondanks dat we dicht bij elkaar zijn gaan zitten, voelt het alsof er een enorme afstand tussen ons in zit. Niet dat ik het niet begrijp. Ik hecht niet veel waarde aan tradities, maar of men nu wil of niet, tijdens de feestdagen sta je stil bij bepaalde levensvragen. Het einde van een jaar dwingt mensen tot bezinning. Zelf denk ik op zo'n moment aan hoe het afgelopen jaar is verlopen, waar ik tevreden over ben en waar ik nog naar toe wil werken. Aan de dingen waar ik spijt van heb, dat ik te weinig heb gelachen en aan de mensen die ik zo vreselijk mis. En laat het nu juist dat laatste zijn dat zich op dit soort dagen een plekje toe-eigent in je lijf. Het nestelt zich, voedt zich met de aandacht die het krijgt en sluipt 's nachts na het slikken van een slaappil op kousenvoeten weer weg. Ondanks mijn hulpverleningsachtergrond, weet ik niet wat te doen wanneer ik mijn oom zo zie. Ik heb veel ervaring met verdriet, maar wanneer het dichtbij komt, lijkt het alsof juist die ervaring verlammend werkt. Ik kan de woorden niet vinden. Gelukkig heb ik de redster, mijn nichtje nog. Kinderen zijn soms zoveel dapperder dan volwassenen. Wanneer ik mijn nichtje heb ingestopt, neem ik beneden nog even plaats naast mijn oom. ,,Ik mis haar ook'', zeg ik. Hij zucht. ,,Ik moet ook niet zo verdrietig zijn'', ik heb Eva en jou nog. ,,Sommige mensen hebben helemaal niemand.'' Ik knik. Eenmaal thuis kruip ik zo stil als ik kan naast mijn wederhelft in bed. Hij slaapt. Ik laat de dag nog even op mij inwerken. Ik denk aan het verdriet van mijn oom en aan mijn eigen verdriet het afgelopen jaar. Voordat ik in slaap val, fluister ik tegen de kamer hoe blij ik ben met mijn wederhelft en dat ik zin heb in het nieuwe jaar. Wanneer ik mij op mijn zij draai, hoor ik mijn wederhelft mompelen: ,,Ik ook'', zegt hij.