Column Laura Mijnders | Kaneelstengels

ZUIDBROEK - ,,Nog de beste wensen hé. Woon je hier in Zuidbroek?’’ We zitten in de wachtkamer van de huisarts. De Ikea boekenkast als een wachter in het midden van de kamer, het kinderspeelgoed in de hoek, de klok die al vier jaar lang tien minuten voorloopt. De man naast mij blijft mij vragend aankijken. Zijn haar is dun en staat in plukjes recht overeind op zijn hoofd. Zijn gezicht en hoofdhuid zijn schilferig en om de paar minuten likt hij aan zijn lippen om ze vochtig te maken. Ik probeer te bedenken of ik hem soms ken. Knik tenslotte maar ten antwoord op zijn vraag. ,,Ai, ik heb zo’n last van mijn rug. Het lukte me bijna niet om hier te komen, maar ik dacht; ik ga toch maar.’’

Ik twijfel of ik hem één van de kaneelstengels die ik meebracht moet aanbieden. Ik bakte ze voor het personeel. Aangezien ik hier bijna wekelijks kom en ze me altijd even hartelijk verwelkomen, wilde ik iets terug doen dit jaar. Met het blauwe Tupperware bakje op mijn schoot blijf ik de man schaapachtig aanstaren. ,,Ik houd heel erg van schaken. Heb wel meer dan zestig bekers gewonnen. In mijn kast staan precies tweehonderddertig boeken over schaken.’’

,,Heb je ze ook allemaal gelezen?’’, vraag ik hem. Hij lacht. ,,Ja bijna allemaal. Ik heb ook veel platen. Onlangs heb ik een stereoset gekocht waarop ik mijn platenspeler aan kan sluiten.’’ Ik knik enthousiast. Vertel hem dat ik ook platen heb. De man vertelt verder over zijn tafeltennisvereniging, over de hartslag van hardlopers, over Zuidbroek, de plaats waar hij geboren is en de plaats die hij nooit zal verlaten. Het is alsof hij zijn hele leven over mij uitstort. Gewoon zomaar. En ik laat mij erin onderdompelen, blij om met iemand anders zijn leven bezig te mogen zijn. Zijn voorkomen heeft iets vertrouwds. Hij doet mij denken aan een voormalige client waar ik wel eens mee schaakte in de tuin van de woonvorm. Een geniale geest, maar zo ontzettend eenzaam. Hij wilde het anders en tegelijkertijd ook weer niet. Hij bleef zich verstoppen in zijn eigen wereld, tussen zijn schaakstukken, de boeken, de vergeelde muren en de sigaretten, verlangend naar iets anders. En ik herkende het. Je willen verstoppen en tegelijkertijd niet alleen kunnen zijn. Uiteindelijk is de eenzaamheid hem fataal geworden. Toen ze het mij vertelde werkte ik er al een poosje niet meer, toch voelde ik een stekende pijn in mijn borst.

,,Mevrouw Dijkstra?’’ Abrupt wordt mijn gedachtestroom onderbroken. De man zit nog midden in een zin. Voordat ik de gang op stap, geef ik hem een bemoedigend klopje op zijn schouder. ,,Tot ziens hé.’’ Hij knikt mij zakelijk toe.

Na mijn afspraak loop ik de kamer nogmaals door. Ik wil de man een kaneelstengel aanbieden, maar zie hem nergens meer. Teleurgesteld kauw ik op de laatste, overgebleven stengel. Hij smaakt me niet.