Column Laura Mijnders | Eksters

ZUIDBROEK - Een week of twee nadat de zomervakantie voorbij was, begon het mij echt op te vallen. Vanaf 12.00 uur staat hij eerst een uurtje of twee op de stoep, vlak voor de halte waar om het kwartier bussen vol studenten leegstromen, de bussen als een autootje vol met clowns; je wordt je pas bewust van wat er in zo’n autootje past als je ziet hoeveel personen eruit komen. Daar staat hij dan, in zijn mobiele bolide, zijn hand rust op de pook waarmee hij de rolstoel bestuurt. Hij kijkt en kijkt. Naar strakke broeken, naar ronde billen. Naar jonge mensen, naar hoogbejaarden. Op zijn hoofd prijkt week na week de eeuwige blauwe muts, met aan de zijkant twee flappen die net over zijn oren vallen. Eronder een ruimvallende winterjas en een broek die te dunne benen verraad. Ik vraag mij af wie ervoor hem zorgt, of ze hem wel eens aanspreken op zijn kleding, zeggen dat er gewassen moet worden, de dingen niet eeuwig zo door kunnen gaan.

Rond een uur of 14.00 rijdt hij vervolgens naar het midden van de Museumbrug. Ook daar brengt hij zo’n twee uur door. Soms steekt hij tijdens het kijken naar al die voorbijgangers, een been de lucht in, en beweegt daar wild mee omhoog en omlaag, als om te laten zien dat zijn benen heus wel werken. Dat hij niet zielig is, geen medelijden wil.

Ook vandaag staat hij er weer. Vanavond is het kerstavond, op straat is het extra druk. Naar sommige voorbijgangers steekt hij hoopvol een hand op. Het handjevol mensen dat hem terug groet, lijkt dit eerder uit ongemak dan uit herkenning te doen. ,,Wat beweegt die man toch? Hier een beetje de hele dag dom naar mensen te staan kijken!’’ Geïrriteerd werp ik mijn man een blik toe. Haastig lopen we richting het station, er is nog teveel te doen. ,,Ik bedoel, wat valt er te zien?’’

,,Wij!’’

,,Wij?’’

,,Heb je er eigenlijk wel eens over nagedacht dat die man wel eens een miljonair zou kunnen zijn?’’

,,Miljonair?’’

,,Ja, net als in dat verhaal met de bedelaar. Waarin een stinkend rijke man zich jarenlang als bedelaar voordeed, gewoon, om te zien of er nog enige goedheid in de mensen schuilt. Elke dag vroeg hij aan de mensen op straat om een slaapplek. En eindelijk, na jaren wachten bood een passant hem een slaapplek aan. Hij liet diezelfde passant al zijn geld na.’’

Onmiddellijk voel ik de behoefte om aardiger tegen de man te zijn. Ik denk aan wat ik met het geld zou doen. De schulden die afgelost kunnen worden. De dromen die vervuld zouden worden. Ik word de realiteit weer ingetrokken door het gewicht van de tassen dat aan mijn armen bungelt. Ik zie nu langzaam wat de man moet zien. Wij. Ons. Eksters die hun nesten vol bouwen. Maar hij kent de waarheid.