Kerstcolumn Marcel Hensema

Kerstavond 1982. Het is koud. Ik zit naast m’n vader in de Ford Taunus. Kofferbak en achterbank staan vol met grote koude schotels in kartonnen dozen, op elkaar gestapeld.

In de snackbar van mijn ouders was kerst de drukste periode van het jaar en Ik vond het prachtig om samen met m’n vader de schotels overal te bezorgen. Bij elk adres ging het van: „Bedankt hè, Harry. Most nog ‘n borreltje hemm?”

„Och joa, one for the road…”

En zo kreeg m’n vader overal ‘n klokje Hooghoudt. Want dat was… ritueel.

De laatste schotel van die dag moest naar Hendrik Tak in de Ferdinand Bolstraat. We gingen naar binnen via de achterdeur. Uit de kamer klonk klassieke muziek, Avé Maria. En naast de kerstboom lag een grote dikke man in een schipperstrui te slapen op een stretcher. In z’n knuisten lag een aangevreten, door de warmte uitgelopen homp kaas waaruit een kunstgebit stak.

Hendrik schrok wakker. „Ha moi, Harry! Most n borreltje hemm?”

„Och ja, du mie mor aine”, zei m’n vader. „One for the road.”

En terwijl hij inschonk zei Hendrik met trots: „Ik heb mie ‘n neie stereoinstelloassie kocht most es luustern!”

Hij draaide het volume van Avé Maria harder. „Mor ‘t mooiste is, ik heb d’r ook achtergrond geluud’n opzitt’n.”

Hij drukte op een knopje en ‘t geluid van een kabbelend beekje overstemde Mozart. Gierend van de lach zei hij: „Wie goan eev’m vizz’n Marcel.”

En terwijl hij aan tafel zat deed hij alsof hij een hengel uitgooide. Even later schreeuwde hij het uit: „Beet!!!”

Hij pakte met z’n hand een stuk zalm van de koude schotel en zoog het z’n tandeloze mond in. Hij schaterde het uit. „Zaalm! Heerlijk! Bin ‘k gek op!”

„Ach jongens… Kerst… Mooi man. Nog one for the road?”