Column Laura Mijnders | Vakjes

ZUIDBROEK - ,,Heb je zin om mee te gaan naar Spinvis? Ik zag dat ze volgende week in Assen staan!’’ Lafbek die ik ben, durf ik het hem niet op de man af te vragen. In plaats daarvan stuur ik hem een berichtje via Whatsapp.

Onze vriendschap is een aantal weken geleden ontstaan. We tasten nog af hoe je elkaar begroet, wat je bij een afscheid doet, met welke woorden je je berichtjes afsluit. Mijn hele leven worstel ik al met deze fase in vriendschappen. Ik ben bang om de ander te verjagen, om veel te veel te zijn of juist veel te weinig. ,,Waar maak je je toch zo druk om?’’, vraagt mijn man me. ,,Mensen houden van je zoals je bent, of ze doen het niet. In dat laatste geval zijn ze je ook niet waard.’’

Ik weet zelf ook niet zo goed waar ik mij druk om maak. In mijn hoofd woont sinds mijn pubertijd een versie van mij die altijd lawaai maakt, die anticipeert op alles wat er mis kan gaan.

Mijn eerste echte vriendschap ontstond met behulp van een bescheiden briefje. Op het papiertje had ik slechts één vraag geschreven; ,,Wil je vrienden zijn?’’ Eronder had ik twee vakjes getekend. Opties: Ja of nee. Ik stopte het tijdens een schoolpauze in de jaszak van de potentiele vriendin. Ik had 50 procent kans. Een dag later gaf ze me het briefje terug. Ze had ‘ja’ aangekruist. Ik was intens gelukkig. Gespannen blijf ik nu op mijn telefoon turen. Ik probeer ondertussen wat te studeren. Het mislukt jammerlijk. Tot mijn opluchting antwoordt hij twee uurtjes later al. ,,Ja, leuk!’’

Een week later wacht ik hem op voor de Julia’s. Hij besteld een pasta, ik eet een patatje van kinderformaat. Hij eet op een manier die mij aan mijn broertje doet denken. Onbeschaamd, schuivend. Er blijft een sliert kaas aan zijn kin kleven. Ik durf er niets van te zeggen. In plaats daarvan vertel ik hem over de jaren die ik in Assen doorbracht. Over de kroeg, over de stamgasten, de TT; een verleden dat mijlenver van mij af lijkt te staan.

In Assen stappen we uit. De straten zijn leeg. Een snijdende wind verwelkomt ons. Zwijgend lopen we richting het centrum, waar we een gigantische standbeeld van een hond passeren. Hij vindt het mooi, ik vraag mij hardop af of het de duizenden euro’s waard is die ze erin hebben gestoken. We naderen de nieuwe Kolk. Ik vertel hem over hoe het er vroeger uitzag. Over de betoverende zalen waarin ik samen met mijn moeder balletvoorstellingen aanschouwde. Over die keer dat ik moest optreden en het leek alsof ik in mijn broek had gepist. Hij laat mij vertellen. Luistert aandachtig naar mijn geratel.

Na zo’n tien minuutjes dooft het licht in de zaal. Ik leg mijn hoofd voorzichtig tegen zijn schouder. Ze spelen zijn favoriete liedje. Het is goed. Ik hoor hem lachen. Ik denk dat hij ‘ja’ aan heeft gekruist.