Laura van Meijeren - Schimmeldraden

ZUIDBROEK ,,Niet dat alles vroeger beter was, maar er is wel heel veel veranderd de afgelopen twintig jaar. Het is die verdraaide technologie. De desinfectiedoekjes. De angst voor ziek worden, voor falen, voor doodgaan, voor fouten maken, voor wat eigenlijk niet? Toen wij tien waren leerden we trekker rijden. En hielpen we voor school aan gewoon mee op de boerderij. Vier uur op en je handen wassen na het koeien melken was er niet bij. Je moest door. Er was genoeg te doen. En je had elkaar. Ik ben steeds meer als mijn vader te klinken…...’’

Mijn vader zit naast ons op de bank (of praatstoel), nippend van een mok koffie.

Ik kijk naar hem. Tweeënzestig jaar, de jaren beginnen zich af te tekenen. Hij is bijna nergens bang voor en ook nooit geweest, maar sinds hij in een vijver viel en zijn enkelbanden scheurden, is hij een stuk voorzichtiger geworden. Ik kijk nog altijd een beetje tegen hem op, bange poeperd die ik ben.

Het gespreksonderwerp gaat over op corona. Ik onttrek me aan de situatie.

Corona overheerst bijna elke conversatie, zelfs deze column. Het is niet dat ik het er niet meer over wil hebben: het zit hem meer in de haat en kritiek die het onderwerp teweeg lijkt te brengen. Alsof mensen hun frustraties jarenlang hebben opgespaard speciaal voor dit moment. We bekritiseren elkaar, omringen ons met medestanders en creëren hiermee de hokjes waar we juist zo uit wensten te blijven. Het feit dat corona de sluier heeft gelift, de ware aard van de mens heeft laten zien slaat niet om in samenhorigheid. In plaats daarvan laat het iets heel anders zien: verdeeldheid, een samenleving die nog maar losjes aan elkaar hangt. En dan die onophoudelijke neiging om te consumeren nu het weer kan…..

Ook ik ben schuldig. Wanneer ik in de spiegel kijk en mijn ogen over de plankjes ernaast laat glijden wordt het pijnlijk duidelijk. Wie heeft er nu drie verschillende parfums, een dag en nachtcrème nodig? Of een nieuwe trui terwijl het weldra zomer wordt en er nog vier in de kast liggen? En dan nog die onophoudelijke behoefte om het terras op te duiken nu het eindelijk weer kan, waar we aan toegeven om de weekenden maar door te kunnen komen, zodat we een beetje weg kunnen zijn van onszelf. Wat blijft er in godsnaam over van de mensheid wanneer we eindelijk klaar zijn met consumeren?

,,Hallo?’’, zegt mijn vriend. ,,Wilde je nog wandelen met de hondjes?’’

Ik knik, denk ondertussen aan het bos waar we zo dadelijk naartoe zullen rijden. Ik zag ooit in een documentaire dat zich onder onze voeten een immens netwerk bevind aan wortels en schimmeldraden. De schimmeldraden stellen de bomen in staat met elkaar te communiceren, ze delen via de draden zelfs voedingsstoffen met elkaar.

Misschien zijn de onzichtbare schimmeldraden tussen de mensen inmiddels losgescheurd.

Maar hoe repareer je een levensvorm die denkt dat hij/zij liever in kleine clusters voortleeft?