Laura van Meijeren - Rondjes rijden

ZUIDBROEK Ik parkeer de auto voor de Gamma. Nog even iets inruilen en dan bij de oma van mijn vriend op bezoek. Het is de eerste keer dat ik oma ontmoet. Volgens mijn vriend en zijn familie is oma een gezonde vrouw van achtennegentig die elke dag opnieuw denkt dat ze doodgaat. Om deze reden stuurt ze haar kleinkinderen bijna elke maand een kaartje waartussen ze wat geld stopt, omdat het weleens zou kunnen dat ze de eerstvolgende verjaardagen niet meer haalt.

Ik moet ineens denken aan mijn vader. Hoe ik nu zelf de auto parkeer bij de Gamma en hoe we, toen ik een jaar of zeven was en mijn broertje vijf, op de parkeerplaats zelf rondjes mochten rijden van pa. Vol ongeloof hadden we hem aangekeken. Mijn vader schoof de stoel wat naar achteren. Hij bediende de gaspedalen, wij mochten op zijn schoot zitten zodat we de auto konden besturen. Verrassend genoeg ging het altijd goed. Wel deelden we vanaf die dag een geheim voor mijn moeder. Achteraf hebben we er misschien toch baat bij gehad, mijn broertje en ik hebben onze rijbewijzen snel gehaald: beide in zo’n eenentwintig lessen.

We zitten inmiddels binnen bij oma. Ik kijk naar haar. Naar haar benen, de broek die ze draagt, haar armen en met pigment bevlekte handen. Ik kan me niet voorstellen hoe het is om achtennegentig te zijn. Misschien voelt dat ook een beetje als rondjes rijden op een parkeerplaats. Hoe jonger, hoe meer je durft, hoe ouder, hoe voorzichtiger je wordt en hoe kleiner het rondje waarin je de auto ook daadwerkelijk mag besturen. Oma vind het juist fijn op deze leeftijd, ze voelt zich rustiger en evenwichtiger dan ooit. Ze baalt wel van het constante trillen en de pijn in haar pezen, maar verder is ze gelukkig. Tenminste, zonder die ‘kutcorona’ voelde ze zich erg gelukkig, zegt ze. ,,Hoe ouder, hoe rustiger. Helaas blijven de zorgen wel, je blijft altijd moeder. En oma’’, voegt ze eraan toe terwijl ze naar mij en mijn vriend kijkt. Heel even vraag ik me af of ze me beoordeeld, of er een oordeel schuilgaat achter de toon van haar stem, maar dan zie ik haar zachte glimlach en ik weet dat het oprecht is.

Ik bewonder oma. Ze woont nog steeds alleen. Kookt, bakt, haakt en breit. Toch lijkt het mij een hele opgave om achtennegentig te zijn. Hoewel ze helder van geest is en dat heel wat waard is, moet ze toch steeds weer afscheid nemen van geliefden. Ze overleeft een hoop mensen en dat lijkt me een eenzaam bestaan. Op den duur ken je bijna niemand weer.

Bij het weggaan maant ze me voorzichtig te rijden. Ze hoopt dat we gauw weer komen, ‘want je weer maar nooit!’, zegt ze zonder een spier in haar gezicht te vertrekken.

Ik werp vlug een blik op de auto, geef haar dan een extra dikke knuffel.

,,Fuck corona’’, fluistert ze zachtjes.