Laura van Meijeren - Auto

ZUIDBROEK Toen ik klein was en niet kon slapen, ging mijn vader vaak een eindje met mij en mijn broertje rijden. Nog voordat we twee straten verderop waren, vielen we eigenlijk al tegen elkaar aan in slaap. Tot mijn ergernis liet mijn broertje vaak een beste kwijlvlek achter op mijn kleding. Toch was ik nooit lang boos. Het geluid van de motor, het wiegen van het voertuig, het idee dat je veilig bent. Het maakte me alleen maar slaperig. Het vertrouwen en de controle uit handen geven, doe ik zonder aarzelen.

Toch heeft de auto als ‘object’ sinds mijn negentiende een hele andere betekenis gekregen. Nadat zowat alles aan mijn eerste autootje, een Peugeot 306, constant kapot ging, kocht ik een tweedehands Hyundai. Een sportmodel, zwart en vierdeurs. Ik had er een tijdje veel plezier van, totdat ik na een aantal maanden volop tegen een boom aan knalde.

Mijn vijand: ikzelf, de bladerenpulp die de herfst met zich meebrengt en een scherpe bocht. Ik had de situatie verkeerd ingeschat, te hard gereden en daarna uit paniek te veel aan het stuur gerukt. Toen ik wakker werd lag mijn hoofd op het stuur.

Het eerste wat ik mij kan herinneren is dat ik in de autospiegel keek en een grote rode bult midden op mijn voorhoofd zag. Daarna realiseerde ik me dat de auto schuin voorover tegen de boom aanstond. Die was geen kant opgegaan. Mijn auto daarentegen…..

Ik maakte me los uit de gordels en begon te lopen. Bij het eerste huis dat ik zag, belde ik aan. De mensen keken geschrokken. Ik had geen telefoon bij me en vroeg ze of ik een telefoonboek en een telefoon kon lenen. Ze lieten me binnen, een wildvreemd bomenmolesterend meisje. De man bood me een borrel aan. ,,Moet je de ziekenwagen niet bellen?’’

,,Eerst de verzekering en de wegsleepdienst. Ik wil niemand tot last zijn.’’ Het is vreemd wat adrenaline met je doet. Ik werd er een emotieloos wezen van. Praktisch en robotachtig. In de avond ging ik op verzoek van mijn moeder toch maar naar de dokterspost.

,,Wacht maar, er is niets gebroken, maar je ribben zijn zwaar gekneusd en je hebt een hersenschudding. Dit zul je na een aantal dagen wel gaan voelen’’, zei de dokter.

Dat heb ik geweten. Gelukkig durfde ik na een tijdje de auto weer in te stappen. Ik heb daarna nog regelmatig gereden. De eerste tien minuten zijn elke keer vreselijk. Daarna gaat het prima. Maar hoe langer ik niet rijd, hoe groter de angst.

Inmiddels heb ik twee jaar niet gereden. Nu de familie van de overleden wijnhandelaar vraagt of ik belang heb bij de auto, grijpt de angst me bij de strot. Ik weet zeker dat ik een kind zal doodrijden, of een dier. Een ongeluk zal veroorzaken.

Toch zeg ik ‘ja’. Omdat angst alleen maar overwonnen kan worden door aangekeken te worden. Omdat ik niet langer wil wegkijken. En omdat ik zelf de controle wil terugpakken. Ik bezit de auto. Niet andersom.