Laura van Meijeren - Ode

ZUIDBROEK k zit net met een glaasje rosé in de tuin wanneer de telefoon gaat. Ik herken het nummer niet, maar wanneer ik opneem en de naam hoor, weet ik instinctief wat er aan de hand is. De zoon van de wijnhandelaar.

Ze hebben hem in bed gevonden. Alsof hij nog sliep. Ik ben verbijsterd. Weet niet wat ik moet zeggen. De zoon vraagt naar mijn adres. Ik geef het hem. Ik vraag of ik nog wat kan doen, hoewel ik het antwoord eigenlijk al weet.

,,De kaart valt overmorgen in de bus’’, zegt hij ter afsluiting.

We hebben elkaar nooit ontmoet, de zoons van de wijnhandelaar en ik. Wel was hij zoals ze dat in het Belgisch zeggen, ‘zeer fier op ze’. Telkens wanneer ik hem zag, sprak hij over ze en pakte zijn mobiel om foto’s te showen. Dat ging niet altijd even gemakkelijk. Hij had last van zijn handen, van ‘trillingen’, zoals hij ze noemde. Als iets dan niet zo snel lukte als hij het wilde, raakte hij geïrriteerd.

Eerst volgde: ‘Verdorie’ en daarna een opgewekt: ‘Kijk dit zijn ze!’ Zijn zoons met de kleinkinderen in een opblaasbaar zwembadje. Vakantiefoto’s. Een barbecue.

We troffen elkaar voor het allereerst en het laatst in de ‘Coöperatie’, zoals hij de dorpssupermarkt altijd noemde. Samen met de oude communist dronken we dan een kopje automaatkoffie in het verdomhoekje. Er gebeurde daar van alles, in dat hoekje. Wereldproblematiek werd opgelost. Het geloof bediscussieerd. De juiste temperatuur voor het bewaren van wijn werd besproken. En mijn column werd er afgekraakt, vooral als er taalfouten in bleken te zitten. En ik genoot ervan.

Twee zomers geleden organiseerde de wijnhandelaar een barbecue bij de oude communist. De familie van de oude communist kwam, een bevriende wethouder, haar partner en ik. We verplaatsten een oude veel te zware tafel naar buiten, naar de oprit, schoven de antieke stoelen bij en nadat de familie van de oude communist was vertrokken, ging de wijn alsnog op.

Alle herinneringen schieten kriskras door mijn hoofd. Maar vooral is er het gevoel van spijt. Spijt dat ik tijdens coronatijd niet langs durfde te gaan, spijt dat ik hem niet vaker een berichtje terug heb gestuurd. Spijt van die kerstkaart die ik vergeten ben in zijn brievenbus te doen, en die nog altijd achterin mijn agenda prijkt.

Mijn vriend zegt dat ik het mijzelf niet kwalijk moet nemen, dat het leven zo loopt, je nu eenmaal opgeslokt raakt door de dagelijkse bezigheden, drukte, verwachtingen en beslommeringen. Toch ben ik boos. Op mijzelf. Op het leven. Op alle oneerlijkheid. Op de dood.

Een dag nadat ik het bericht heb ontvangen, vraagt de zoon van de wijnhandelaar me of ik misschien nog wat wil zeggen op de begrafenis. Iets zeggen lukt me niet.

Schrijven wel.

Omdat hij er zo’n hekel aan had wanneer ik over hem schreef in mijn column. Omdat hekel soms gelijk staat aan sympathie van een afstandje, hier nog een laatste ode.