Naar vader (column Laura van Meijeren)

ZUIDBROEK Piepend van vreugde staan ze bij de deur. Ik lijn ze gehaast aan, sla hun weekendtas om mijn schouder. Enthousiast lopen ze voor me uit. Nu ja, lopen kun je het nauwelijks noemen, ze drentelen vooral om elkaar heen. Natuurlijk raken hun lijnen daarbij meerdere keren in elkaar verstrikt. Het is een beetje alsof je twee ADHD’ers heb aangelijnd, de één nog drukker dan de ander. Ik probeer ze vriendelijk toe te spreken. Dat lukt aardig, totdat de tas van mijn schouder glijdt en de gehele inhoud op straat terecht komt. Ik zie hoe andere hondenbezitters me kort toeknikken. Ik kan hun blikken niet verdragen, hoop vurig dat hun honden midden op straat zullen poepen, zodat ze zich moeten bukken om het op te rapen.

Ondanks de perikelen lijkt mijn oudste hond, de reu, ineens precies te weten waar hij heen moet lopen. Pal voor het huis van mijn ex plast hij nog even tegen de bosjes. Alsof hij wil zeggen; ‘zo, dit hier is van mij, hier woon ik.’ Mijn ex had ons blijkbaar aan zien komen en doet glimlachend de deur open. De hondjes rennen blaffend op hem af, likken zijn handen, zijn sokken, zijn broek. Ik vraag me af of het zo voor mijn moeder moet zijn geweest. En of het zo voelt voor alle mensen die hun kinderen delen met een ex.

,,Hoi! Nou, met meneer hier gaat het weer wat beter, alleen moet af en toe zijn pootje even ingesmeerd worden tegen de ontsteking. Verder hier nog wat extra natvoer.’’ Er verschijnt een lachje op het gezicht van mijn ex, zo van: ‘mens, maak je niet druk, ik weet wat ik doe’. En hij heeft gelijk, dat weet ik, maar ik kan het niet laten. Ik kan het nooit laten.

De honden dartelen eerst blij om ons beide heen, zoals kinderen die hopen dat hun ouders op een dag weer bij elkaar komen. Maar sprookjes bestaan niet. Ik knuffel de hondjes, fluister lieve woorden in hun oren. Realiseer me hoe gek dit moet lijken. Ze zeggen dat het een teken van sociale intelligentie is wanneer je tegen dieren praat. Soms twijfel ik of het niet eerder een teken van eenzaamheid is, immers vormen juist zij het ultieme klankbord. Ik steek mijn hand op naar mijn ex, geen knuffel, want corona. ,,Nou, succes hé! Veel plezier samen.’’ Ik hoor mijn moeders stem in mij doorklinken.

Thuis is het in de afgelopen jaren nog nooit zo stil geweest. Het is bevreemdend. Rustgevend en tergend luid tegelijk. Ik mis de mormels, maar merk ook dat het fijn is om even op niemand anders dan mijzelf te hoeven letten. Is dit wat mijn moeder voelde wanneer ze thuis kwam zonder mijn broer en mij? Opluchting en verdriet. Stilte en lawaai. Eenzaamheid en vrijheid. Nooit eerder ervoer ik de betekenis van het woord ‘tegenstrijdig’ zo letterlijk. De dag ligt verder leeg voor me.

Ik graai nog maar eens in de pot met koekjes.

Door Laura van Meijeren