Laura Mijnders - Gilmevrouw (1)

Mijn ex heeft een huisje toegewezen gekregen. Twee straten vanaf het huis dat we nu nog delen. Ik ben ontzettend blij voor hem, maar ook ben ik opgelucht. Het is tijd dat we onze eigen ruimte hebben, aan een leven los van elkaar kunnen wennen.

Samenleven is op dit moment verwarrender dan ooit. We praten meer dan ooit, lachen meer. Kijken oude films en eten onbeschaamde hoeveelheden junkfood. Als we televisie kijken lig ik op een kussen in zijn schoot en kriebelt hij in mijn nek. Zelfs de hond is vrolijker. Gretig wurmt hij zich tussen ons in, duwt armen en benen aan de kant en laat zich overstelpen met liefdevolle aandacht, aandacht waaronder eigenlijk vooral een laag gezamenlijk verdriet schuilt.

Telkens als ik naar de hond kijk, naar die bruine grote ogen, denk ik aan de avonden en nachten dat ik hem zal moeten missen. Aan de avonden en nachten dat mijn ex hem zal moeten missen. Als dit vooruitzicht als erg is, hoe doen mensen dit dan in hemelsnaam wanneer ze samen kinderen hebben?

Mijn telefoon trilt. Een appje van de huurder die nu nog het toekomstige huis van mijn ex bewoond. ,,Als jullie willen kunnen jullie vanavond komen kijken’’, appt ze. ,,En heeft je ex er belang bij om het laminaat over te nemen? Dat scheelt ons weer. Er zit alleen een klein gaatje aan de zijkant in de woonkamer. Iets met puppy’s. O, ik zal trouwens ook even foto’s maken, let niet op de rommel.’’

Er volgt een hele stroom aan foto’s. Ik moet vreselijk lachen, ze houdt maar niet op. Foto na foto komt binnen. We zien een woonkamer waarin keurig grijswit laminaat ligt, een bijkeuken waarin plavuizen zijn gelegd en hetzelfde grijswitte laminaat in de vier kamers op de eerste verdieping. Ze appt dat de lampen en de gordijnen ook overgenomen kunnen worden, mocht mijn ex dat willen. De rommel waar ze het over heeft zien we nergens. Als dat al rommel is, is mijn eigen huis een regelrechte teringzooi.

Om zeven uur die avond lopen we die kant op. De voortuin bestaat uit grasmatten en de zijkant van het huis is betegeld. We bellen aan. Een vrouw, iets ouder dan ik en graatmager, doet open. ,,Hallo!’’

Ze doet een stap naar achter. ,,Kom erin. Mijn man is een stukje met onze rottweiler gaan lopen. O, nu herken ik u. Bent u niet de gilmevrouw waar mijn zoon het altijd over heeft?’’ Ik knik, mijn wangen kleuren rood, ik weet precies wat ze bedoeld. De kinderen in het speeltuintje vroegen ooit voor de grap of ik wilde gillen toen ik langsfietste. Toen ik dat ook daadwerkelijk deed, - een achtentwintigjarige vrouw met lange spillebenen op een knalgele rammelfiets - schrokken ze zich het apezuur. Vervolgens was er een orkaan aan gelach opgestegen. Sindsdien vragen ze altijd of ik wil gillen. En ik geef er maar wat graag aan toe.

Volwassenen zouden vaker moeten gillen om een punt te maken.