Laura Mijnders - Punk (column)

ZUIDBROEK Mijn ex en ik kijken een film over een punkband die in de problemen raakt tijdens een optreden voor een groep neonazi’s. Hoewel ze het niet eens zijn met de overtuigingen van de nazi’s, hebben ze toch ‘ja’ tegen het optreden gezegd. Ze verkopen zichzelf voor zo’n 350 euro. Na twee dagen niet gegeten te hebben snap ik dat wel. Als de omstandigheden maar ernstig genoeg zijn, zijn we als mens in staat een boel te verdragen, zo ook het verkopen van gemoedsrust.

Daar stonden ze dan, jonge kereltjes nog, in een afgelegen zaaltje. Daar midden in de bossen speelden ze de longen uit hun lijf. Ondanks de gespannen setting was ik jaloers op die kereltjes. Een beetje toeren door het land samen met je beste vrienden, muziek maken, schrijven, wildkamperen. Als ik dit soort dingen zie voelt het alsof ik wat gemist heb. Ondanks de kroeg van mijn ouders, was ik een tamelijk braaf meisje.

Mijn ex heeft voordat ik hem kende in een punkbandje gespeeld. ,,Zo leuk als ze doen voorkomen is het echt niet hoor. Het is zwaar en meestal niet leuk. Spelen voor een habbekrats terwijl je amper te eten hebt. Op den duur irriteer je je kapot, ben je zelfs je vrienden spuugzat’’, zegt hij geïrriteerd. ,,En hoe vaak we wel niet in elkaar geslagen zijn, bekogeld, de kroeg uit gezet. Dat laten ze natuurlijk niet zien.’’

Ergens weet ik dat ook wel. Niets is ideaal. Op mijn vijftiende was ik verliefd op Harry. Of eigenlijk niet echt op Harry, maar meer op zijn leven denk ik. Het was een dramatische relatie die gedoemd was te mislukken. Hij was de zanger van de band en op de één of andere manier heeft dat altijd een bepaalde uitwerking op vrouwen; de meiden zwierven in groepjes om hem heen. Mijn jaloezie kende geen grenzen, in mijn ogen was er altijd iemand mooier en leuker dan ik. Met mijzelf kon ik op den duur geen genoegen meer nemen. Ik viel kilo’s af en dompelde me helemaal in zijn wereld onder.

Totdat ik erin verdronk. Het me vergiftigde. Constant een ander proberen te zijn is een uitputtingsslag waar geen mens tegen bestand is. Toen Harry me dumpte op een regenachtige zondagmiddag, was ik er kapot van. Wie was ik zonder Harry? Ik was ervan overtuigd dat het zonder hem nooit meer goed zou komen.

Nu lijken die gedachten kinderlijk. Lach ik erom. Maar ergens is er nog steeds dat kind in mij dat niet kan stoppen met vergelijken. En tijdens die vergelijking val ik altijd weer als de mindere uit; de conclusie is dat ik een slap aftreksel ben van wie ik kan zijn.

Gelukkig is er altijd de andere stem, de gezonde volwassene, mijn redder, mijn anker. Als ik dan naar mijn huis en de snurkende hond kijk, denk ik; hiermee tevreden zijn, met jezelf tevreden zijn, is pas echt punk. De ultieme middelvinger naar de wereld.