Column Laura Mijnders - Thuis

ZUIDBROEK Mijn beste vriendin vroeg me een aantal maanden gelden hoe vaak ik als kind ben verhuisd. De eerste keer was van Hardenberg naar Assen. Mijn ouders hadden me altijd voorgehouden dat we waren verhuisd vanwege mijn vaders werk. Later gaf mijn vader toe dat de verhuizing vooral een poging was geweest om aan mijn moeders verstikkende ouders te ontsnappen. ,,Meisje’’, zei hij. ,,Afstand biedt geen garanties.’’

Het aparte is dat, wanneer ik vertel dat ik in Hardenberg geboren ben, de meeste mensen zeggen dat het er zo mooi is. Ik heb werkelijk geen idee. Ik herinner me alleen de sombere Scapino waar mijn oma en ik heen gingen om Spaanse sloffen te kopen. Dezelfde kleur, een andere maat.

Toen ik een jaar of acht was gingen mijn ouders uit elkaar. Mijn broertje was te jong om iets mee te krijgen, maar ik herinner me de constante ruzies, het bekvechten. Vaak las mijn moeder ons na zo’n avond met bibberende stem voor. Ik deed alsof ik het niet hoorde, maar het is zoals ik eerder al eens schreef: kinderen hebben meer door dan een ouder lief is.

Enfin. Mijn vader bleef in het huis wonen, mijn moeder vertrok. In het nieuwe huis van mijn moeder was het wel aardig, ik kreeg mijn eerste huisdieren, twee goudvissen waarvan één later blind bleek te zijn. Als we ’s middags aan tafel zaten te lunchen hoorden we ‘tok tok tok tok’, vanuit het aquarium.

Nog steeds denk ik aan die blinde vis wanneer ik een soortgelijk geluid hoor. Dan draai ik me om richting de keuken om te ontdekken dat er niemand is. Om op de oorspronkelijke vraag terug te komen: in totaal verhuisden we zo’n negen keer. ,,Maar waar heb je je tot nu toe dan het meeste thuis gevoeld?’’ Ik moest mijn vriendin het antwoord schuldig blijven, ik weet het namelijk echt niet. Ik denk dat ik me nog het meeste thuis voel bij de mensen van wie ik denk te houden, maar dat is alles behalve plaatsgebonden.

Het maffe is, juist deze vraag bleef hangen. Ik kon er niet van slapen. Niet van eten. Ik ging me daardoor afvragen of ik hier nog wel thuis ben, in Zuidbroek, bij mijzelf, bij mijn man. En het antwoord overrompelde me...

Dat luidde namelijk ‘nee’. Ik kon het heel duidelijk horen. Eerst zwak, fluisterend. Daarna zwol het aan tot een onmiskenbaar schreeuwen. En op een dinsdagmorgen, week drie van de corona-quarantaine, vloog het er ineens uit. ,,Ik denk dat ik wil scheiden.’’

,,Ik weet het’’, had hij gezegd. ,,Ik voel het al een tijdje.’’ En zo herhaalt de geschiedenis zich. Ik, weliswaar zonder kinderen, treed in de voetsporen van mijn ouders. Aan mij nu de taak om opnieuw te bepalen waar ik thuis hoor. Soms zweer ik dat ik zelf die blinde vis ben. Er zijn zeeën aan ruimte, toch blijf ik tegen de randen van het aquarium aan zwemmen. En het enige wat ik hoor is ‘tok, tok tok.’