Column Laura Mijnders | Vuilniszakken

Het is precies een week geleden dat hij de deur achter haar dicht smeet. Donderdagnacht waren er eerst een hoop lelijke woorden gevallen. Hij had geschreeuwd, zij had geschreeuwd. Hij had haar lelijke dingen toegewenst, het was nu eenmaal het moment. Achteraf had hij zich kapot geschaamd, wat moesten de buren wel niet van hen denken? Hij zag de politiewagen al bij hen voor de deur staan, als man zijnde krijg je toch immers altijd de schuld in dit soort situaties? Straks zou ze nog beweren dat hij haar had aangeraakt. Hij verdrong onmiddellijk de gedachte. Nee. Hij had lang genoeg zijn gemak gehouden! Het was nu al twee maanden over tussen hen en ze sliep nog steeds op zijn logeerkamer en leefde op zijn kosten. Ondertussen sprak ze stiekem af met haar nieuwe vriendje en loog hierover. Hij kon er niet meer tegen. En op vrijdagochtend, na die vreselijke ruzie ‘s nachts, had hij het dan eindelijk zover: hij zou haar eruit zetten.

Die bewuste vrijdag was het prachtig weer. Toen hij de voordeur open deed, scheen de zon zo fel dat hij zijn ogen toe moest knijpen. Daarentegen voelde hij heel sterk hoe zijn binnenste donker kleurde. Zijn hoofd bonkte van woede. Zijn collega’s hadden hem eerder al gezegd dat hij veel te goed was voor haar. ‘Gooi die trut eruit’, hadden ze in koor gezegd. Maar dat kon toch niet zomaar? Ze hadden toch zeker van elkaar gehouden? Toch?

Goed, sommige dingen kosten nu eenmaal tijd. Hij had een klein aanloopje nodig gehad. Nu was hij zover.

Het frustreerde wel: hij had zich moeten ziek melden om erop toe te zien dat ze in het weggaan niet stiekem iets met zich mee graaide dat haar niet toe behoorde. Zijn baas begreep het wel en wenste hem sterkte. ‘Een mens kan maar zoveel tolereren, voordat er iets breekt’, had zijn baas gezegd. Een vriendin kwam haar ophalen met de auto. Ze had slechts een rugzakje vol spullen meegenomen. Ze was ingestapt zonder nog naar hem of het huis om te kijken. Hij had diep adem gehaald en was zijn huis weer binnen gestapt. ZIJN HUIS. ‘Mijn huis’, dacht hij.

De volgende dag had hij het er maar moeilijk mee gehad. Voor het eerst in tien jaar was hij in het weekend alleen. Hij voelde de eenzaamheid zijn botten binnendringen. Hij keek eens goed naar zijn huis. Alles herinnerde hem aan hun tijd samen. ‘Vuilniszakken’, mompelde hij hardop.

Na twee uur was hij klaar. Al haar kleding en spullen had hij in vuilniszakken gepropt. Het waren er elf in totaal. Hij had ze eerst in de woonkamer neergezet, maar had zich bedacht en ze daarna naar de tuin verplaatst. Zo. Hoefde ze ook niet meer binnen te komen voor haar spullen. Net toen hij de laatste zak naar buiten zeulde, kwam de buurvrouw met haar hondje aangelopen. Ze stak haar duim op en lachte. Hij knikte.

Hij zou het wel redden. Hij wel.