Altijd een poot in de Groninger klei

Op 1 september neemt Henny Groenendijk afscheid als bijzonder hoogleraar Archeologie en Maatschappij aan de Rijksuniversiteit Groningen. Zijn lange loopbaan in Groningen begon in de Veenkoloniën.

Henny Groenendijk studeerde Prehistorie aan de Universiteit Leiden, en vond zijn eerste baan in de Duitse deelstaat Nedersaksen. Na een paar jaar vroeg hij zich af: hier blijven, of terug naar Nederland? Toen kwam er een advertentie waarin men vroeg om een archeoloog om de grote herinrichting van Oost-Groningen te begeleiden. Een soort super-ruilverkaveling, waarbij de landschappen Veenkoloniën, Oldambt en Westerwolde betrokken waren.

Zo ging Groenendijk in 1982 werken op het Biologisch-Archeologisch Instituut van de RUG (tegenwoordig het Groninger Instituut voor Archeologie). Hij inventariseerde wat er in Oost-Groningen aan archeologie lag, en adviseerde wat daarmee moest gebeuren in het kader van de herinrichting. Dit leverde zoveel nieuw materiaal en nieuwe ideeën op, dat hij er een proefschrift aan kon wijden.

De cultuurhistorie was een belangrijk speerpunt bij de herinrichting, maar dat betekent niet dat het allemaal vanzelf ging voor Groenendijk. ,,Ik kreeg forse kritiek, met name uit de hoek van de landbouw: ‘Eindelijk wordt het hier gereconstrueerd, en worden onze gronden verbeterd, en nu moeten we die archeologie doen. Dat is een luxeprobleem!’ In het begin heb ik heel veel tegen onbegrip, of zelfs onwil, moeten vechten. Maar ik wil mensen graag medeverantwoordelijkheid geven voor de archeologie in hun gebied. Bijvoorbeeld door burgerparticipatieprojecten, waarbij mensen veel ruimte kregen om te bedenken wat ze zelf graag willen. En heel vaak heeft dat te maken met de identiteit van een gebied, van een dorp, of van een veenkolonie. Dat is een voorbeeld van een regio waar op een bepaalde manier is gedacht over het verleden, en waar de archeologie heel geleidelijk een rol is gaan spelen. Dat komt ook omdat er bij het Veenkoloniaal Museum in Veendam een heel actieve werkgroep in het leven is geroepen, die zelf kennis opbouwde. En die kennis is ook ingezet bij de herstructurering van landbouwpercelen. Zulke dingen, daar streef ik naar.”

In 1991 werd Groenendijk provinciaal archeoloog van de provincie Groningen. Aanvankelijk was hij gestationeerd bij de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek in Amersfoort. In 1998 ging het bestel op de schop. De provinciaal archeologen konden in dienst treden van de provincie, of bij de Rijksdienst blijven, in een andere functie. Groenendijk koos voor Groningen; hij wilde een poot in de klei houden. De band met het Groninger Instituut voor Archeologie heeft Groenendijk altijd warm gehouden. Dat instituut heeft hem in hoge mate gevormd, en hij kon er altijd terecht, ook als provinciaal archeoloog. In 2009 keerde hij er terug, als bijzonder hoogleraar Archeologie en Maatschappij.

Hoe is die relatie, tussen de archeologie en de maatschappij?

,,Het begint bij het delen van je kennis. Logisch dat je dat doet bij studenten archeologie, maar het zou tegelijkertijd moeten gebeuren bij mensen die in het dagelijks leven met archeologie in aanraking komen. Daarom zijn wij ook connecties aangegaan met MBO Terra. Dat zijn jonge boeren, die worden straks bedrijfsopvolger, of zitten op de zware machines. Als zij enig begrip hebben voor archeologie, dan zal het behoud makkelijker worden. Ik denk dat je dat in een opleiding moet zaaien.”

,,Tegelijkertijd moet je je eigen studenten bitwijs maken. We hebben een maatschappelijke master en een research master. Ik vind dat het instituut heel erg toekomstgericht is. Er wordt archeologie onderwezen met de blik naar een veranderende maatschappij. Dat vind ik een hele goede richting; rekening houden met nieuwe wensen.”

,,Ik heb altijd energie gestoken in de samenwerking met amateurarcheologen die dat graag wilden. En ik heb ze een podium geboden, dat noem ik inclusieve archeologie. Mensen moeten een drempel over om je een vondst te tonen, ze zijn bang dat ze het dan kwijtraken. Maar ik heb zulke dingen, nadat ik ze onderzocht had, altijd teruggegeven, en gezegd: pas er goed op.”

,,Ik heb ook de historie aan de mensen willen teruggeven. Zoals in de Veenkoloniën. Toen ik er kwam was het nagenoeg onbekend of daar archeologie zat. Ik heb de historie van dat gebied willen verlengen, en ook kúnnen verlengen. Dat is overgenomen door het Veenkoloniaal Museum, en nu hebben de Veenkoloniën er een bewoning uit het Mesolithicum bij. Nou, daar kijk ik met plezier op terug.”

Joke Geelhoed-Oosterhuis