Column Laura Mijnders | Rust

ZUIDBROEK Nog voor ik het zaaltje binnenstap, voelt mijn hele lijf al plakkerig. Het is warm in het buurthuis, het gebouw heeft de hele dag de tijd gehad om de warmte van de zon in haar kamers op te nemen.

De meeste vrouwen zitten al klaar op hun matjes. Ik ben zoals gewoonlijk de laatste. Elke poging die ik ooit deed om eerder weg te gaan mislukte. Ik geloof dan ook dat het leven in essentie bestaat uit weten wanneer je moet ophouden je te verzetten tegen iets dat toch niet zal veranderen (zoals bijvoorbeeld in relaties, maar dat terzijde). De andere vrouwen kijken hoe ik mijn shirt uittrek, mijn armen bloot toon. Ik voel mij enigszins opgelaten. Mijn gedachten ratelen door over wat ik allemaal nog moet doen vanavond, over dat ik de oude communist vaker zou moeten opzoeken, dat ik tegen die ene vriendin niet zo bot had moeten doen en dat ik in dit alles toch altijd weer jammerlijk blijk te falen. Abrupt worden mijn gedachten onderbroken door de zalvende stem van de instructrice.

,,Welkom allemaal. Laten we beginnen’’.

Onze yoga-instructrice is een vrouw van mijn moeders leeftijd. Onlangs is ze bevallen van een zoontje. Van die hele bevalling is geen spoor te bekennen, ze ziet er fantastisch uit en heeft ook nog eens een vriendelijke uitstraling. Intelligent, rustig, beheerst. Ze is zo’n type waarmee het onmogelijk is om ruzie te maken. Ik ben mijn pijnlijk bewust van mijn eigen voorkomen. Vooral van de zwemband die zich sinds ik een relatie heb om mijn middel heeft verzameld. Ik kijk naar mijn weerspiegeling in het raam. Wat is er verder? Een stel dunne benen met erboven wat dikkere dijen. Dan een heleboel zwemband, zwemband, zwemband. Erboven een ingetogen middel, borsten die zonder een bh al aardig begonnen te hangen, brede schouders (het gevolg van een paar blauwe maandagen waterpolo) met daarop een langwerpig hoofd met grote open ogen en rechtopstaande wimpers.

Ik herinner me wat de wijnhandelaar onlangs zei. Je moet weer een beetje afvallen, zoals op deze foto; kijk. Hij wees op de foto achterop mijn gedichtenbundel. Ik staarde recht in de ogen van een vreemde.

,,Dan mag je nu langzaam naar de voorover buiging komen.’’ De yoga instructrice kijkt ons bemoedigend toe. Soms ben ik bang dat ze dwars door mij heen kijkt, zoals nu. Alsof ze merkt hoe druk het in mijn hoofd is; stemmen die nooit zwijgen. ,,Tijdens de volgende houding brengen we een been de lucht in. Onze armen houden we in gebedshouding voor onze borst.’’ De instructrice doet het voor alsof het niets is. Ik en de andere vrouwen wurmen ons erin. Maar zodra de stemmen in mijn hoofd weer beginnen, merk ik dat ik wankel. De vrouw naast mij begint ook te wankelen. Ik val om. Er klinkt een luid geschater. Dan besef ik dat het zelf ben en voor het eerst die avond ben ik uit mijn hoofd.

De vrouw die naast mij stond te wankelen, komt me na de les tegemoet. ,,Als je te druk bent in je hoofd, merk je dat meteen tijdens zo’n balansoefening.’’ Ik knik. Daarna fietsen we naast elkaar in stilzwijgen naar huis. We herkennen iets in elkaar dat de woorden overtreft.