Laura Mijnders | Donker

ZUIDBROEK

Wanneer ik bij de oude communist aankom is de avond al aangebroken. Achter het raam van de voorkamer brandt een fel, onprettig licht. In de andere kamers is het aardedonker. Het grote huis heeft hierdoor iets griezeligs. Als je de auto’s en de moderne dokterspraktijk er tegenover zou wegdenken waan je je rechtstreeks in de 17 de eeuw. Vrienden van de oude communist zeggen dat hij blijven steken in de tijd. In een verkeerd leven. Hij heeft een hardgrondige hekel aan zo’n beetje alles wat met techniek te maken heeft en blijft ver weg van mobieltjes. Toen ik hem laatst probeerde over te halen om een seniorenmobiel aan te schaffen zag ik hem geïrriteerd zijn neus ophalen. Ik begon er verder niet meer over.

Ik zie hoe de communist zich door de grote voorkamer beweegt. Hij trekt haastig allerlei lades van kasten open zonder echt iets te zoeken, alsof hij hoopt zo de tijd te kunnen doden. Ik zet mijn fiets tegen het schuurtje aan, betreed de trap aan de zijkant van het huis.

,,Ben je er klaar voor?’’

,,Jazeker. Goed dat je er bent, ik heb nog wat voor je! Een vervroegd kerstcadeau.’’

Nieuwsgierig kijk ik hoe hij een groot, blauw, gebonden boek uit de kast pakt. ,,Het is minstens even oud als ik. Hier, alsjeblieft.’’

Ik kijk hem met grote ogen aan. Goethe, zijn absolute favoriet. Een psycholoog vertelde mij ooit dat je aan iemands cadeaus kunt aflezen hoe belangrijk je voor diegene bent. Ik weet voldoende, slik de brok in mijn keel weg.

Goed ingepakt lopen we richting de snelweg. We lopen voorbij de splinternieuwe Aldi, langs de Petruskerk, richting Noordbroek. We komen steeds minder huizen tegen. Ik maan de oude communist zijn handschoenen aan te doen. ,,Waar neem je mij in godsnaam mee naartoe?’’ Ik vis een zaklamp uit mijn jaszak en schijn op de weg voor ons, zodat we niet verrast worden door dieren, boomwortels of andere versperringen. Om ons heen is alleen nog maar land te zien. In de verte brandt hier en daar een buitenlicht; boerderijen die liever vergeten willen worden. Ik haak mijn arm door die van de oude communist. Ik denk aan alle twijfels die ik momenteel ervaar, aan alles wat ik mijzelf probeer te bewijzen. Hier, in het donker op de landweg, valt die sluier ineens van me af.

,,Het is niet ver meer nu’’, zegt de oude communist. Ik heb het gevoel dat we al een half uur lopen.

,,Kijk, daar moeten we zijn.’’ De oude communist wijst naar een afgelegen boerderijtje. We moeten een stuk bos door voor we bij de voordeur belanden. Ik ben maar wat dankbaar voor de zaklamp, anders waren we ongetwijfeld gestruikeld vanwege de diepe kuilen in de weg. Voordat we aanbellen kijkt de oude communist nog even omhoog. ,,Het is een mooie avond.’’ Ook ik kijk omhoog. ,,Ja, dat is het zeker.’’ Ik trek een denkbeeldig lijntje tussen een aantal sterren. Het steelpannetje. Het is ineens niet zo donker meer.