Column Laura Mijnders | Verdomhoekje

ZUIDBROEK

Ik sta net bij het schap met koekjes wanneer de oude communist ineens achter mij opduikt. Zijn haar zit anders, het is korter geknipt en zijn versleten leren jasje heeft hij open geritst. In zijn rechterhand houdt hij een kartonnen bekertje met een restantje koffie vast. ,,Ik zag je wel hoor.’’

,,We hadden het net over je!’’ Hij wijst richting de feloranje tafel. De wijnhandelaar is er ook. Een hele beste man. ,,Als je even tijd hebt?’’ Ik vraag mij af of de mannen mijn winkelroute al die tijd hebben gevolgd. Het doet me een beetje denken aan het gevoel dat mensen in films uitstralen wanneer ze erachter komen dat hun vuilnis is doorzocht. Ook mijn geheimen worden pijnlijk zichtbaar, deze mannen weten nu precies welke gangpaden ik heb vermeden en hoe lang ik bij welk schap heb doorgebracht.

De oude communist loodst mij mee naar het feloranje tafeltje. Op de tafel tussen de mannen in, staat een papieren schoteltje waarop (inmiddels) uitgedroogde stukken krentenbrood liggen. Mijn man en ik noemen dit hoekje gekscherend wel eens het verdomtafeltje. Vanaf een bepaalde leeftijd ben je welkom aan het verdomtafeltje. Mensen die jonger zijn, zitten hier bij wijze van uitzondering alleen op uitnodiging. Het is een manier voor de mens op leeftijd om nog enigszins te socializen, sommige dorpsgenoten brengen er wel twee keer per dag een uur door. Ze drinken koffie, wisselen er nieuwtjes uit en discussiëren over werkelijk van alles; wie er dood zijn, wat de beste stroopwafel is, hoe je je tuin het beste kunt onderhouden.

,,Aangenaam.’’ Een man met een ronde bril steekt zijn hand naar mij uit. Nog voordat we weer gaan zitten, ben ik zijn naam alweer vergeten. ,,Wil je koffie?’’ De oude communist heeft al een kartonnen bekertje onder het apparaat gezet. ,,Suiker? Melk?’’ Ik schud mijn hoofd. In mijn hoofd maak ik een lijstje met dingen die ik straks nog moet doen. Dat deze twee mannen hier zo rustig kunnen zitten koffieleuten verontrust me. ,,Zo, wat doe je zoal?’’, vraagt de wijnhandelaar wiens naam ik niet meer weet. ,,Ik studeer. Ik heb net de tentamens achter de rug.’’ ,,We zien je nooit meer, hier in het dorp.’’

In de stem van de communist klinkt teleurstelling door. Ik denk aan de weekenden, hoe ze steeds weer vol geraken en waarom ik nooit eens kan zijn zoals deze mannen, ook toen ik nog niet studeerde. De oude communist drukt zijn kartonnen bekertje opnieuw onder de koffiemachine, de machine spuugt onder luid gepiep de koffie uit.

,,Zeg, je moet hem echt aan een seniorenmobiel helpen. Die dingen kosten tegenwoordig niets meer!’’ De wijnhandelaar wijst naar de oude communist. ,,Dat kan zo niet alleen, in dat grote huis.’’ De oude communist en ik wisselen kort een blik. Ik zie het verdomhoekje ineens in een heel ander daglicht. Wij, de haastigen, zijn de werkelijke verdoemden.