COLUMN | Laura Mijnders - Laatste rit (2)

ZUIDBROEK

Achter de gordijnen vernam ik onmiddellijk beweging. Alsof het dichtvallen van de brievenbus het geluid was waar ze zolang op hadden gewacht. Het gordijn schoof een klein stukje opzij. Ik keek recht in het gezicht van de man. In zijn rechtermondhoek bungelde een shagje. Hij leek mij niet te zien. Ik liep met bonkend hart terug naar huis.

De dag daarop fietste ik vanaf het station terug naar huis. Ik was benieuwd of het kaartje iets tussen ons zou veranderen. Of het zwaaien nu intenser zou worden, zou afzwakken of helemaal zou stoppen. Wellicht had de woorden iets verpest. Enigszins zenuwachtig keek ik de woonkamer in. Tot mijn schrik zag ik dat het bed leeg was. Sinds ze ziek was geworden was het bed nooit leeg geweest.

De deken lag verfomfaaid op het bed, een eenzaam molshoopje op een matras, precies zoals je het bed van een puber ’s ochtends zou aantreffen. Ook de man was nergens te bekennen. Instinctief voelde ik hoe de situatie in elkaar stak. Mijn kaartje was net op tijd gekomen.

De dagen daarop kwamen er steeds allerlei mensen de woonkamer van de man binnen. Het bed lag er nog een dag of twee zo bij voordat het gedemonteerd werd. De eerste weken zat er steeds iemand anders bij hem aan tafel. Alsof zijn omgeving een schema had opgesteld. ‘Wie eet er vanavond met hem samen?’ Ook ik had een taak toebedeeld gekregen. Ik bleef zwaaien. En het werkte. Hoe groot het verdriet ook moet zijn geweest, de man stak telkens zijn hand op wanneer ik voorbij fietste. Ik zou zweren dat hij soms glimlachte. Het was nu een ding van ons samen geworden.

Na een tijdje begon hij weer buiten te komen. Ik zal hem schoffelen in het volkstuintje verderop. In de zomer sleepte hij zijn luie stoel naar buiten en zat hij voor zijn huis, verdiept in een boek, de asbak had een gammel stoeltje voor zich alleen gekregen. Maar met het wisselen van de seizoenen, kwam ineens dat verdomde bed weer tevoorschijn. Een paar weken geleden fietste ik voorbij en stond het er ineens. Dezelfde plek, hetzelfde nachtkastje. Alleen had de man geen slangetje in zijn neus maar een infuus in zijn arm. Eerst dat ik dat het wellicht tijdelijks zou zijn. Ik hoopte het vurig. Mijn hoop werd al snel teniet gedaan. Met het verstrijken van de weken verdween het bed niet. Ik zag zijn wangen invallen, zijn gezicht grauwer worden. Nu, krap een jaar later, worstelde ik opnieuw met een tekst voor op het kaartje.

Na een middag gepiekerd te hebben schreef ik: ‘sterkte, groetjes van de vrouw op de fiets die altijd zwaait’. Tussen haakjes schreef ik mijn naam (Laura) erachter. Opnieuw sloop ik in het donker naar de voordeur. Ik zorgde ervoor dat de brievenbus deze keer geen lawaai maakte. Twee dagen later was het bed leeg. Zijn naam zou ik nooit kennen.