Column Laura Mijnders | Cultuur

De vrouw die opendoet is beeldschoon. Achter haar staat een kleinere vrouw. Beide dragen ze een kleurige hoofddoek die strak om hun haren is gewikkeld. Ik wil al doorlopen naar de woonkamer wanneer ik zie dat mijn collega zijn schoenen uittrekt. Alsof ik mij compleet bewust ben van deze gewoonte, trek ook ik mijn schoenen uit. Het voelt een beetje als vroeger. Wanneer je na schooltijd bij iemand thuis ging spelen, was het eerste wat je deed je schoenen uit.

Ik zet mijn schoenen naast die van mijn collega. In mijn linker sok prijkt een gat en mijn hakken zijn licht bezweet. Ik voel hoe de vrouwen een snelle blik op mijn sokken werpen. Uit beleefdheid zegt niemand iets. Wanneer ik de gang verlaat zie ik hoe mijn grote teen en mijn hakken afdrukken achterlaten op de betegelde vloer. Na een paar seconden lossen ze op, alsof ze nooit zijn gemaakt.

,,Kom binnen!’’ De grootste van de twee vrouwen leidt ons de gang uit. Ik kijk mijn ogen uit. De woonkamer is ongelooflijk netjes. Je zou er van de vloer kunnen eten. Onmiddellijk denk ik aan mijn eigen vloer, het hobbelige laminaat, een zee aan haren, de verdwaalde plasjes van de hond. Ik voel hoe de schaamte zich van mijn meester maakt. Mijn collega geeft bij wijze van begroeting de beide vrouwen op elke wang een kus. Een lichte paniek welt in mijn borst op. Ik twijfel over wat ik moet doen. Gauw steek ik de vrouwen een hand toe. Ze pakken hem lachend aan, lijken het niet vreemd te vinden. Ik voel mij net een klein kind dat nog moet leren hoe rituelen tussen ‘grote mensen’ precies werken.

We gaan gezamenlijk aan de keukentafel zitten. Ik installeer mijn laptop, zie hoe de kleinere vrouw mijn bewegingen nauwkeurig observeert. Ik stel de kleinere vrouw vragen over haar dagindeling, over hoe ze slaapt, over haar somberheid en haar familie. Af en toe zeggen mijn collega en de vrouwen kort iets in het Turks tegen elkaar. Gevoelens laten zich soms beter uitdrukken in een moedertaal. En het vreemde is dat ik, ondanks dat ik geen woord Turks versta, precies begrijp wat ze zeggen. Gevoelens zijn universeel. Evenals troost.

Binnen een uur staat het signaleringsplan op papier. Mijn maag rommelt. De vrouwen vragen of ikwat wil eten. Mijn collega knikt. ,,Doe maar.’’ De tafel staat binnen een mum van tijd vol met groenten, vlees, aardappels, brood, yoghurt en kruiden. We spreken over cultuur. Over het ongemak die kleine verschillen kunnen opleveren. Ik denk aan mijn eigen afkomst. Aan hoe mijn ouders op de boerderij altijd met plezier een stuk van hun gehaktbal afsneden wanneer er iemand onverwacht bleef eten.

Opeens denk ik weer aan mijn sok. Ik verontschuldig me. De vrouwen barsten in lachen uit. De kleinere vrouw schuift haar stoel naar achteren, trekt haar pantoffel uit. In haar rechter sok prijkt een prachtig gat.