Column Laura Mijnders | Sportschool

ZUIDBROEK

Rondom het gebouw staan tientallen fietsen geparkeerd. Ik betreed de stenen trap. Binnen is het alsof er een DJ staat te draaien. Waarom moet die muziek toch verdomme zo hard staan? Ik trek mijn rugzak nog wat hoger op mijn rug terwijl ik uit een zijvakje het toegangspasje vis. Een vrouw in sportkleding kijkt mij vanachter de toegangsbalie nieuwsgierig aan. Ik houd mijn pasje voor het toegangspoortje, vervolgens voor de andere. Er gebeurd niets. ,,Waar moet ik dit ding tegenaan houden?’’ De vrouw kijkt mij met opgetrokken wenkbrauwen aan, wijst dan naar een soort apparaatje dat tegen de zijkant van de balie is bevestigd. Meteen schaam ik mij voor mijn vraag.

Iedereen van mijn leeftijd lijkt in dit soort situaties op de één of andere manier altijd direct te weten hoe het moet. Waar is die tijd gebleven dat de mensen achter de balie je nog kenden? Verdomme. Gelukkig is het niet druk vanmiddag. Opgelucht haal ik adem. Elke keer hoop ik weer vurig dat ik geen bekenden tegenkom. Alleen dan zien de mensen ineens hoe ik werkelijk ben; buiten adem, kleinzerig, de vetrolletjes op mijn heupen niet langer weggestopt op een tactische plaats. In mijn vorige sportschool kwam ik het liefste tijdens het bejaardenuurtje opdagen. Vergeleken bij hen was ik superfit. In de kleedkamer trok ik met het grootste gemak mijn kleren uit. Ik kon op de dagen dat ik sportte wel drie uren weg zijn van huis. Een uurtje sporten om de rest van de ochtend koffie nippend en ouwehoerend aan de stamtafel, te discussiëren over het nieuws.

Ik heb het bejaardenuurtje hier nog niet ontdekt. Ik ben al zes verschillende tijdstippen geweest en dat verontrust me. Het maakt ook dat ik al zweet voordat ik überhaupt maar een apparaat ben opgestapt. Er lijken hier alleen maar topfitte mensen rond te lopen. De hele situatie doet mij denken aan die peuterboekjes van vroeger, waarin je moest aanwijzen welk plaatje er niet bij hoorde. Tussen de plaatjes van groenten stond dan ineens een plaatje van een ananas afgebeeld. Als je dat zou moeten vertalen naar deze situatie ben ik die ananas. Een hele grote gele, met roze strepen.

Voorzichtig stap ik een loopband op. De vorige keer startte dat ding uit zichzelf en viel ik er bijna af. Gelukkig zag niemand het, mijn hoofd moet zo rood als een biet geweest zijn. Terwijl ik sta dood te gaan op de loopband, houdt een meisje in het midden van de zaal zich bezig met touwen die aan een soort houten toestel bevestigd zijn. Ze draagt een topje dat haar middel bloot laat. Ik zie haar strakke buik, kijk naar de welving van haar billen in de spandex broek die ze draagt. Onmiddellijk voel ik een steek van jaloezie. Maar dan volgt de redding. Naast mij is ongemerkt een man neergestreken op een loopband. Hij is een jaar of zestig, zijn T-shirt verraadt een bourgondische leefstijl. Inwendig juich ik. De tijd is mijn bondgenoot.