COLUMN Laura Mijnders | Schreeuw om hulp

ZUIDBROEK

We zaten net aan tafel. Mijn moeder had ons zojuist vertelt dat we zouden gaan verhuizen. Dat papa en mama een tijdje ‘apart’ zouden gaan wonen. We snapten nog niet zo goed wat dat betekende, gisten naar wat er nu van ons werd verwacht. Ik prikte wat met mijn vork in de worst die op mijn bord lag, keek hoe er met elke steek van mijn vork meer vet uit de worst sijpelde.

Mijn moeder besloot haar betoog. ,,Begrijpen jullie dat?’’ Mijn broertje en ik durfden elkaar amper aan te kijken. Mijn moeder leek haar adem in te houden. Mijn vader zweeg, zijn eten stond onaangeroerd voor hem. Zelfs op begrafenissen hoor je nog altijd gekuch, het verfrommelen van een zakdoekje, een gesmoord gesnik. Daar klamp je je op zo’n moment aan vast, aan de geluiden van de ‘levenden’. Iedereen aan deze tafel leek te zijn gestorven. Kort daarna verhuisde mijn moeder haar spullen naar mijn kamertje. ‘Totdat we iets anders hebben gevonden.’

Mijn moeder huurde een tussenwoning in een volkswijk. Mijn vader vond het maar niets, mijn moeder was al lang blij dat haar eigen ruimte zich niet meer beperkte tot een zolderkamertje die met haar dochter deelde. In deze nieuwe wijk vonden mijn broer en ik al gauw aansluiting. Er woonden hier alleen maar gescheiden moeders en vaders. We zagen ons eigen verdriet weerspiegelt in de ogen van buurtkinderen. Sommige buurtkinderen mochten tot laat opblijven en trapten dan wel eens herrie. Dan schreeuwden ze tot laat en sloopten de speeltoestellen in de speeltuin, tot ergernis van de andere ouders. Iedereen wist immers van wie die ‘rotkinderen’ waren. En we veroordeelden ze.

Toen ik een keer mijn middelvinger naar één van die kinderen opstak omdat ik hem ervan verdacht dat hij de schommel had gesloopt, werd mijn moeder ontzettend boos. Het was een kwestie van opvoeding, zei ze. Je mag nooit de kinderen de schuld geven. Het zijn de ouders. En die moet je juist helpen. Ik vond dat op dat moment onzin. Mijn moeder was net weer begonnen met studeren en deelde haar sociologische inslag met iedereen die het maar wilde horen.

Ik had jaren al niet meer aan de uitspraak van mijn moeder gedacht. Tot de VVD met het plan kwam om criminaliteit dubbel zo hard te bestraffen als die in probleemwijken wordt gepleegd. Ineens dacht ik aan mijn vroegere wijk. Aan de problemen. Aan hoe al die kinderen en volwassenen die ‘vervelend’ waren eigenlijk altijd schreeuwden om hulp, maar het nooit kregen. Aan hoe diezelfde ‘probleemgezinnen’ voor ons klaarstonden wanneer we niet genoeg geld hadden om het einde van de maand door te komen. Of wanneer er een lamp moest worden opgehangen. Het moge duidelijk zijn dat fractievoorzitter Dijkhoff zelf nooit in een probleemwijk heeft gewoond. Ik zou hem adviseren; doe het eens een tijdje. Zie de worstelingen. En zie ook de saamhorigheid. Maar vooral; steek je middelvinger niet op, en help.