Column Laura Mijnders | Festival

ZUIDBROEK

,,Zag je niet dat die jongen van de empanadas met je stond te flirten?’’ ,,Huh?’’ Er steekt een stuk spinazie uit mijn mond, het vocht druipt langs mijn mondhoek. ,,Ach toe nou! Jij merkt ook echt niets, hé?’’, zegt hij lachend.

Mijn man vraagt zichzelf dagelijks af waarom ik ervoor heb gekozen om bij hem te zijn. ,,Ik ben oud’’, moet je mij toch zien.’’ Hij komt kreunend uit bed, vraagt mij of ik hem kan helpen om zijn rug te

ontharen, heeft zes gaatjes in zijn gebit, boert en laat ongegeneerd scheten naast me. Hij gooit shirtjes die ik voor hem koop weg, ‘omdat hij het lichaam er nou eenmaal niet voor heeft’. Soms

verdenk ik hem ervan dat hij wil dat ik ga. Dat hij er op rekent en zal zeggen; ,,Ik neem het je niet kwalijk. Je bent jong, je wilt de wereld.’’ En dat snap ik. Soms is het nodig om wie we lief hebben pijn

te doen, te laten zien hoe lelijk we in werkelijkheid zijn. Dit, zodat we voor even weer een moment alleen kunnen zijn, weer kunnen ervaren hoe dat ook al weer aanvoelt.

Ik bekijk de jongen van de empanadas. Hij moet een jaar of vierentwintig zijn. Blond, een gemiddelde lengte en gespierd. Mijn man veegt met een servet mijn mondhoeken af. Er is niets aan deze jongen

wat mij aantrekt. Er is sowieso weinig aan mensen wat mij aantrekt. Er is van alles wat uit openingen ontsnapt, behoeftes die gedaan moeten worden, vreemde geuren….. ,,Waar denk je aan?’’, vraagt mijn man ineens. Shit. ,,Niets hoor. Mijn dienst begint zo. Kus?’’ Ik haast mij dankbaar naar de bar toe. Terwijl ik wegloop kijk ik nog eens vluchtig om. De jongen van de empanadas knipoogt naar me.

Eens per jaar doen we met een groep vrienden vrijwilligerswerk op dit festival. In ruil hiervoor is er gratis eten, drinken, een campingplaats en een feestje. Ik sta dit jaar achter de bar waar ik mijn

leeftijdsgenoten bekijk. Ik raak in een gesprek verwikkeld met een jongen van achttien. Hij is bezig om een meisje te worden. Ik had wel eens op televisie gezien hoe zoiets in zijn werk gaat, maar bleef achter met honderdduizend vragen. De jongen heeft zijn lange haar in een staart gebonden en wijst trots naar zijn borstkas. ,,Cup A al.’’ Ik knik hem bemoedigend toe. ,,Hoe kijk jij eigenlijk naar je lijf?’’,

vraag ik hem na een tijdje. ,, Ik heb er een hekel aan om man te zijn…..aan dat ding tussen mijn benen….en dan al dat haar.’’

Ik denk aan mijn eigen lijf. Aan het beginnende zwembandje rond mijn heupen, de lange haar die op mijn kin groeit. ,,Mens zijn is ook niet makkelijk’’, zeg ik. Wanneer ik die nacht enigszins aangeschoten in de tent kruip, voel ik aan de harige schouders van mijn man. Het voelt warm en vertrouwd. Ik houd van die schouders. En godverdomme, wat houd ik van alles wat er aan die schouders vastzit.