Column Laura Mijnders | Iemands dochter (2)

Een vroegere buurman denkt Ans op station Groningen herkent te hebben. Riet en Harm snellen zich ernaartoe. Ze parkeren de auto achter het station. Het is redelijk rustig op het station. Verschillende mensen wachten op bankjes, roken een sigaret of leunen tegen een muurtje. De meeste mensen hebben mobieltjes in hun handen, waar ze druk mee in de weer zijn.

Af en toe loopt er een vrouw aan Harm en Riet voorbij, druk in zichzelf pratend. Om de zoveel tijd blijft ze even staan om haar handen ten hemel te heffen, alsof ze ten einde raad is. Harm snapt er niets van. ,,Wat moet die jeugd toch aldoor met die dingen in hun hand. Waarom helpt niemand die vrouw?’’ Ze blijven voor de AH to go staan. Riet besluit om twee bekers koffie te halen. ,,Vergeet niet de suiker’’, zegt Harm. ,,Dat doe je namelijk altijd!’’ Riet besluit deze opmerking van Harm te negeren.

Opeens heeft Harm een ingeving. Hij bekijkt de vrouw die eerder aan hen voorbij liep wat beter. Zijn hart begint sneller te kloppen, zijn ogen lijken uit zijn kassen te rollen. Hij herkent haar onmiddellijk. Ze is langer geworden en een stuk magerder dan de laatste keer dat ze haar zagen. Op dat moment komt Riet met twee dampende bekers koffie de AH to go uitgelopen. Ze ziet de rare blik op zijn gezicht. ,,Harm?’’ Ze kijkt schichtig in dezelfde richting. Dan ziet ze het ineens. De kartonnen bekers met koffie vallen uit haar handen. Ze laten een spoor van spetters op haar linnen broek achter. Riet wil naar haar toe rennen om haar te omhelzen, maar bedenkt zich net op tijd dat dit misschien niet de juiste aanpak is. Harm besluit het voortouw te nemen en tikt de verwarde vrouw voorzichtig op haar schouder. ,,Ans?’’ ,,Onze lieve Ans?’’ De vrouw draait zich om. In haar ogen ontbreekt ieder spoor van herkenning. Er welt een brandend gevoel in Harm zijn borst op, een stekende pijn. De vrouw blijft staan, wijst dan naar de broek van Riet. ,,God, sta me bij’’, brengt Riet uit.

Opeens voelt Harm hoe krachteloos zijn benen aanvoelen. Hij hoort nog hoe Riet een gilletje slaakt en hoe zijn dochter iets over koffie uitkraamt, voordat hij de grond raakt. Wanneer hij weer wakker wordt, dringt de geur van antibacteriële zeep zijn neus binnen. Het eerste waar hij aan denkt is Ans. In de hoek van de kamer zit Riet, haar benen over elkaar geslagen. ,,Harm? O, god.’’ Ze springt onmiddellijk op uit de stoel. ,,Ik zal de zuster halen.’’ Haar hakken tikken haastig op de vloer. In zijn ogen wellen tranen op. Na enkele seconden komt Riet terug met een zuster. ,,Het was haar trouwens niet’’, fluistert ze snikkend in zijn oor. Harm reikt voorzichtig naar haar hand. ,,Riet? Laten we haar in ieder geval helpen. Die vrouw. Beloof het me. Ook zij is iemands dochter.’’ Hij laat zich terug in zijn kussen zakken. Sluit dan langzaam zijn ogen.