Iemands dochter (1)

Ze groeide op in een kleine benedenwoning in de Oosterparkwijk. Het was er knap, maar knus. Een kleine bijkeuken bood toegang tot een piepklein tuintje. Haar ouders legde een grasveldje aan waar Ans graag op speelde.

Moeder Riet verdiende af en toe iets bij als pedicure. In de ochtenden werd een grote uitklapbare stoel, midden in de kleine woonkamer geïnstalleerd. De gordijnen werd half dichtgeschoven, de kamerlamp werd naast de geplaatst. Ernaast, met een felle hoofdlamp om, zat Riet. Ans moest bij het zien van haar moeder altijd denken aan mijnwerkers, het enige wat er aan ontbrak was een gele helm.

Riet babbelde altijd gezellig met de klanten mee. De klanten vertelden haar altijd van alles. De laatste roddels, hun eigen sores; Riet hoorde alles. Riet genoot hiervan. ,,Ik doe het niet echt voor de voeten’’, zei ze wel eens.

Zo groeide Ans op, de gehele dag tussen de voetenzolen van vreemde mensen. Ans leerde al jong dat voeten eigenlijk schitterend zijn, wanneer je ze maar vanuit de juiste hoek benaderd. Vader Harm dacht hier anders over. Hij werkte in een sigarettenfabriek en was allang dat hij geen getuige van de uit de hand gelopen hobby van zijn vrouw hoefde te zijn.

Soms pikte Ans bij thuiskomst wel eens een sigaret van haar vader, die dit wel merkte, maar omwille van de rust in huis zijn lippen op elkaar hield. Het leven in de Oosterparkwijk was redelijk vredig. Natuurlijk hadden haar vader en moeder wel eens ruzie, maar er speelde niets onoverkomelijks. Ze waren redelijk gelukkig.

Toen Ans veertien was, rookte ze haar eerste jointje. Het is maar een fase, dachten haar ouders. Wij zijn immers ook jong geweest! En haar ouders leken gelijk te krijgen. Ans haalde ondanks alles uitstekende cijfers op school. ,,Het hele kind is slimmer dan wij bij elkaar’’, zeiden Harm en Riet trots.

Toch merkten ze dat Ans steeds langer op bed bleef liggen. Ook was ze vaak ziek. ,,Je bent ook zo mager’’, klaagde Riet. ,,Je moet meer eten, zo kun je niets hebben.’’

Na een tijdje verslechterde de situatie. Ans kwam alleen ’s avonds nog maar haar bed uit. Haar ouders probeerden van alles. Ze schakelden vriendinnen in, belde met de huisarts en stimuleerden haar om weer dingen te ondernemen. Ans schudde telkens haar hoofd, de goede bedoelingen beu.

Op een dag komen Harm en Riet thuis na een middagje in de kroeg. Bij thuiskomst treffen ze een lege kamer. De kast is leeg, het bed gladgestreken en opgemaakt. Op het nachtkastje een briefje, ‘zoek me niet’. Natuurlijk zoeken ze. Ze bellen de politie, ze informeren buren. Bellen haar mobieltje. Niemand neemt op. Ans lijkt van de aardbodem verdwenen te zijn. Toch geven Riet en Harm de hoop niet op. Elke dag hopen ze op een antwoord.

Uit pure wanhoop heeft Riet zich aangesloten bij de kerk. Elke zondag bidt ze tot god, smekend om de terugkeer van haar dochter.