Column | Laura Mijnders

Afkicken

Ik zit achter mijn computer. Het is een uur of vijf ’s morgens. Sinds ik begonnen ben met het afkicken van de slaapmedicatie doe ik amper een oog dicht. Ik had niet ingeschat dat het zo zwaar zou zijn. Dat is het vreemde, na twaalf jaar slikken weet ik eigenlijk helemaal niet meer hoe het is om slecht te slapen. Welke monsters er op de loer liggen in de nacht. De hond ligt tevreden naast mij in zijn mandje. Jaloers kijk ik naar zijn op en neer gaande borstkas. ,,Doorzetten, zei de huisarts tijdens onze afspraken. Je bent vanzelf een keer zo moe dat het wel lukt!’’

In plaats van toegeven aan de frustratie, loop ik tegenwoordig rondjes met de hond.

De praktijkondersteuner gaf mij goedbedoeld een boekje met daarin tips over lekker slapen.

‘Je kunt beter blijven liggen, ook dan rust je uit’, staat er.

‘Beperk dutjes overdag, kijk ’s avonds laat geen televisie en drink voor het slapen gaan een kop rustgevende thee.’

Ik probeer het, echt. Maar die rondjes met de hond zijn het enige dat mijn hoofd een beetje tot bedaren brengt. In plaats van alleen overdag buldert mijn hoofd nu ook gewoon ’s nachts door, als een goederentrein zonder eindbestemming. Soms wil ik mijn hoofd keihard tegen een muur rammen, zodat het ophoudt.

Overigens ben ik niet de enige die amper slaapt. Er zijn mensen die om vijf uur al op weg zijn naar iets. De eerste trein rijdt om twintig over vijf al langs. Er schuifelen mensen rond in keukens. Soms vraag ik mij af waar mensen de moed vandaan halen; al die levens beginnen elke dag weer opnieuw. Ik kan er uren naar kijken.

Het meest fascinerend is de buurman met een reigerobsessie. Wanneer de hond en ik tijdens onze ronde achter zijn huis langs lopen, hoor je hem zo nu en dan gesmoord zijn stem verheffen; ,,Weg, weg!’’ Hij tikt erbij wild met zijn knokkels op het raam. Inmiddels heeft hij een net over zijn vijver gespannen. Toch zijn er sindsdien weer twee kooikarpers verdwenen. Overdag maak ik wel eens een praatje met hem. Tijdens onze gesprekken zie ik hem dan de lucht afspeuren, zijn ogen samengeknepen, de wallen steeds beter zichtbaar.

Door de wandelingen zitten mijn armen inmiddels onder de rode bulten. Ze zijn groter dan muggenbulten, maar kleiner dan de beet van een wesp. Ik google op insectenbeten en vind al gauw de boosdoener. Op internet lees ik dat dazen in tegenstelling tot wespen en bijen, niet steken maar bijten. Ze snijden als het ware de huid van een prooi open bij een beet. Tevens lees ik dat dazen hun prooi soms wel tot een kilometer kunnen achtervolgen.

En zo achtervolg ik de slaap, kilometers lang, de hond aan mijn zij, vastbesloten hem in te halen. En als het zover is, zal ik mij als een daas vastbijten in mijn prooi, zoals de buurman in zijn reigerobsessie.