Column Laura Mijnders | Zevenentwintig (2)

De volgende dag zit ik in een parkje op een bankje dat uitkijkt op een skatepark. Het is inmiddels maandagmiddag, het gesprek met de communist echoot nog na in mijn hoofd. Aan de achterzijde van hetbankje waarop ik zit, bevindt zich een kudde schapen op een veldje. Behalve een aantal fietsers en de twee jongens in het skatepark, valt hier niemand te bekennen.

Ik kauw langzaam op mijn broodje. Het is droog en de kaas is hard geworden. Ik probeer de jongens die aan het skaten zijn niet in verlegenheid te brengen, door te doen alsof ik het ontzettend druk heb met mijn telefoon. Door mijn wimpers heen volg ik hun bewegingen. Ze moeten een jaar of vijftien zijn. De ene jongen heeft halflang krullend haar dat alle kanten uit staat. Hij skate zelfverzekerd, zonder aarzeling. De andere jongen heeft opgeschoren haar. Hij skate wat minder zelfverzekerd, vraagt de andere jongen steeds om advies. Ze proberen tegelijkertijd een truc te voltooien. De jongen met het halflange heeft zijn camera schuin op de grond neergezet. Voor ze weer op hun skateboard stappen, zetten ze dezelfde zonnebril op. Ik hoor de wieltjes over het asfalt, het skateboard dat van de grond komt. ,,En, gelukt?’’ ,,Nee, shit man, ik was te laat. Die truc erachteraan is moeilijk.’’ Ze tillen hun zonnebril op. De jongen met het halflange haar geeft hem een advies dat ik niet kan verstaan. Opnieuw starten ze vanaf dezelfde plek. Weer lukt het de jongen met het opgeschoren haar niet.

Ik heb nog veel te doen, maar kan mij niet bewegen. Gebiologeerd blijf ik de jongens bekijken, jaloers op hun vermogen zich volledig in dit moment te storten. Ik denk na over wat ik deed toen ik vijftien was.Achter mij begint een schaap onophoudelijk te blèren. Op mijn vijftiende ik een baantje bij de Chinees, ik werkte soms in de kroeg van mijn ouders en volgde een cursus sociale hygiëne. Bij een skatepark kwam ik niet. Op mijn vrije momenten zat ik graag binnen. Anders dan deze jongens, was ik constant bezig met de toekomst, ik greep elke kans aan om mijzelf te verbeteren. En dat doe ik nog steeds. Ik stop al mijn tijd vol met mogelijkheden tot zelfverbetering, bang voor het moment waarop alles stil valt. Wat zou er anders nog van mij over blijven? Wie ben ik zonder deze ervaringen?

Eigenlijk hebben deze jongens het leven als geen ander begrepen. Het gaat er niet zozeer om met terugwerkende kracht naar een betekenis of verbetering te zoeken, het gaat er om dat je betekenis geeft aan dit moment. Daarmee blijft oefenen. Ik sta op, gooi een plastic zakje in een prullenbak. Wanneer ik denk dat er niemand kijkt, pak ik ook enkele blikjes Red bull en pakjes sigaretten van de grond op. Betekenis zit hem niet zozeer in het geven. Wellicht zit het hem eenvoudigweg in het doen.