Column Laura Mijnders | Teamuitje

We staan voor een meertje. In het water dobberen groepjes kinderen in blauwe en gele bootjes. Naast de veranda van het eettentje staan een stuk of twintig mountainbikes. Tegenover het meertje een stel klimmuren uit hout opgetrokken, ernaast kun je boogschieten. In de brandende zon wachten we op de rest van de collega’s.

Dit zijn de momenten waarop de tijd langzaam voorbij kruipt, waarop het ongemak toeslaat. Ineens weet ik niet meer hoe ik mij hoor te gedragen. Hoe ik moet zitten of staan en waar ik het in godsnaam over moet hebben. Als kind had ik dit al. Het voelt een beetje als op de verplichte familieverjaardagen. Opnieuw zit ik vast in die kring. Ooms en tantes praten met elkaar over het leven op de boerderij, of wisselen het laatste nieuws over hun gezondheidsklachten uit. Ze lijken altijd een gespreksonderwerp achter de hand te hebben. Mijn neefjes en nichtjes spelen aan een gammele tafel een onbezorgd potje Uno. Over de afwezigheid van mijn moeder hebben we het nooit. Ik wil iets vragen, maar heb geen idee wat ik te weten wil komen. In plaats daarvan pak ik een blokje kaas van de schaal op tafel en kauw er langzaam op.

,,Waar ben jij met je gedachten?’’ Een van mijn collega’s geeft een speels tikje op mijn schouder ,,O, nergens.’’ ,,Je hebt het de laatste tijd druk hé?’’ Dit is nu een typisch nadeel van het werken in de zorg; hier houd je niemand voor de gek, behalve jezelf. Vlug trek ik mijn sandalen uit. ,,Ik ga even pootje baden’’, zeg ik vlug. Met een rood hoofd loop ik richting het strandje. Ik nestel mijn billen in het zand, laat mijn voeten in het water glijden. Het liefst zou ik een eindje gaan zwemmen, maar ik durf mijzelf niet bloot te geven aan collega’s, bang dat ze de ongezonde keuzes die ik maak af kunnen lezen aan mijn dijen.

Naast mij klinkt ineens gespetter. Een van de secretaresses is het water in gedoken. Na haar volgen nog drie collega’s. Zonder schroom rennen ze het water in. Wanneer ik over mijn schouder kijk zie ik dat ook de rest hun kleding uittrekt. Tot mijn verrassing komen er bij enkele collega’s navelpiercings en tatoeages tevoorschijn. Een tijdje blijf ik onbeschaamd naar ze kijken. Merk dan dat mijn broek zeiknat is en ik aan het verbranden ben. Er zit niets anders op, ik heb geen andere broek bij mij. ‘Fuck it’.

Er is niemand die acht op mij slaat wanner ik mij in bikini weer bij de groep voeg. Mijn broek hang ik te drogen over een picknicktafel. Na een tijdje wijst een collega naar mijn tatoeages. ,,Tof, waar heb je die laten zetten?’’

Eenmaal dobberend in een bootje weet ik wat mij te doen staat. Met mijn peddel druk ik het laatste restje ongemak kopje onder. En verzuip het.