Column Laura Mijnders | Poes

De oude communist had de hele dag bij het raam gezeten. Terwijl ik richting de huisarts fietste, zag ik zijn rode blouse achter het raam van de voorkamer bewegen. Tegen de tijd dat ik terugfietste, had hij een stoel naar het raam toe geschoven. Ik zag nog altijd die rode blouse achter dat raam, nu onbeweeglijk.

Voor de zekerheid fietste ik er ’s avonds nog eens langs. Iets in mijn onderbuik vertrouwde het niet. Hij zat in het pikkedonker, nog altijd achter dat raam. Na een korte omweg, besloot ik het huis binnen te gaan. Ik trof hem aan in een grote, logge stoel. ,,Hoi!’’, zei ik. Hij reageerde niet. Zijn schouders licht gebogen, de ogen vochtig. Ik bood hem een glas water aan. Vulde de pijp op tafel met tabak. Na wat aandringen vertelde hij wat er zich die middag afgespeeld had.

Terwijl hij om een uur of één zijn dagelijkse wandeling naar de supermarkt maakte, had hij de poes die parttime bij hem woonde langs de kant van de weg zien liggen. De poten gestrekt, de ogen wijd open gesperd, de kop bebloed. Hij had geknield om de poes, zijn maatje, nog even over zijn kopje te kunnen aaien. Had de vlekjes op zijn vacht in zijn geheugen geprent. Met pijn in zijn hart had hij zijn weg naar de supermarkt vervolgd. ,,Zonder structuur, overvallen de dagen me. Bovendien ben ik op papier niet de officiële verzorger van de poes. De poes woont eigenlijk een paar huizen verderop, bij een oud vrouwtje dat nauwelijks naar haar omkijkt. ‘’

De band tussen de poes en de oude communist is gaandeweg ontstaan. De poes koos er op een dag voor om steeds vaker in de buurt van de oude communist te verkeren. Inmiddels hadden ze een routine samen. Ze haalden ’s ochtends de post uit de brievenbus die een eindje van het huis af stond, deden ’s middags een ronde door de tuin en ’s avonds voerde hij de poes vis uit blik. Tegen middernacht keerde de poes terug naar huis.

Thuis had de oude communist zo goed als het ging zijn bezigheden proberen te hervatten. Er was een tuin met onkruid die op hem wachtte, een tas vol boodschappen die uitgepakt moest worden. Maar hoe harder hij naar afleiding zocht, hoe meer het hem aangreep. Hij was in de stoel gaan zitten - een blikje met sardientjes in zijn handen geklemd - en had er niet meer uit kunnen komen.

Ik ging voor het raam staan. Buiten viel de schemer in, de kleuren in de tuin doofden langzaam uit. In de struiken langs de weg was beweging te zien. We zagen het tegelijk. Hij telde de vlekken, bekeek te tred. Stormde toen naar buiten. Het beest kroelde rond zijn benen. Gaf hem kopjes en miauwde klagelijk. Voor het eerst zag ik tranen over de wangen van de oude communist rollen. Ook ik huilde nu. Blijdschap betreft een veredelde vorm van opluchting.