Column Laura Mijnders | Utrecht deel 1

Op het schermpje lees ik dat we Utrecht met een uur bereiken. Het is één van mijn laatste

werkdagen. Ergens voel ik mij schuldig over het feit dat ik deze werkdag niet aan mijn cliënten

besteed. Maar een mens kan nou eenmaal maar zoveel aan voordat zijn eigen wereld instort.

,,Waarom word je eigenlijk geen psychiater?’’, vraagt de psychiater waarmee ik op pad ben. ,,Je zou

een hele goede zijn.’’

,,Ik moet er niet aan denken. Ik ben mijn eigen hulpeloosheid binnen hulpverleningsland meer dan

zat.’’ Hij knikt, alsof hij begrijpt waar ik naar toe wil. Ik neem kleine slokjes van mijn koffie. Ondanks

die kleine slokken, verbrand ik toch mijn tong. Ik ben te trots om het hem te laten merken. We kijken

uit het treinraampje. Soms heb ik de neiging om stiltes op te vullen met gepraat, maar ik besef

dat dit nu niet nodig is. Mensen met wie je samen stil kunt zijn, moet je koesteren. Zij zijn uniek,

begrijpen net als jij hoe overbodig woorden kunnen zijn. Vanachter het treinraampje zien we het oefenterrein van de militairen aan ons voorbij razen. Er zijn bomen, zandpaden en enorme vlaktes, toch is er geen mens te bekennen.

Na een tijdje komt er een jongen met marsjes, koffie, thee en gevulde koeken het gangpad binnen gestrompeld. We hebben geen honger.

In Utrecht is het vrij rustig. De ochtendspits is voorbij. We zijn wat eerder weg gegaan zodat de

psychiater mij de stad in vogelvlucht kan laten zien. Hij loodst mij via de kloostergangen, het

conservatorium en de grachten, moeiteloos naar het Domplein toe. Op dit soort dagen merk ik hoe

graag ik mij laat leiden. Hoe graag ik blind wil kunnen vertrouwen op een ander mens. ,,We zijn er!’’,

zegt hij ineens triomfantelijk.

Even later staan we samen voor een wenteltrap die naar een ondergrondse verdieping toe leidt. Het

doet mij denken aan al die keren dat we met mijn vader tijdens vakanties in Duitsland, in een treintje

naar de ondergrondse mijnen toe werden gereden. Prachtig vond ik dat. ‘Onder onze voeten schuilt

een hele andere wereld’, zei mijn vader altijd. ‘Wees je daarvan bewust.

,,Welkom bij Dom Under!’’ Ik word ruw uit mijn herinnering opgeschrikt. ,,Jullie mogen beneden nog

even rustig rondkijken, over vijf minuten start de rondleiding.’’ Onze gids, een vrouw met blond haar en dromerige ogen, vertelt over de Dom en het Domplein. Hoe een groot deel instortte tijdens een valwind en dat de mensen meende dat dit een straf van God zou zijn geweest. ‘Dat kun je je toch niet voorstellen?’ Ze lacht er wat meewarig bij.

Het vreemde is dat er in al die jaren eigenlijk nog niet zoveel veranderd is. In Amerika ben je tijdens een tornado niet verzekerd voor de schade die je oploopt. In de papieren is een tornado opgenomen als een ‘act of God’. Ik vraag mij af of mensen in werkelijkheid wel kunnen veranderen.