Afscheid

,,Ik heb helaas minder goed nieuws. Nou ja, voor mij goed nieuws overigens. Ik ga weer studeren. Aan de universiteit. Dit betekent dat ik in juni ga stoppen bij Lentis.’’ Ik zie zijn mond vertrekken. Het moment waarop oprecht blij zijn voor de ander en het zelf gekwetst worden naast elkaar kunnen bestaan; ik zie het in zijn ogen.

,,Wat goed!’’ Hij drukt kort het servet tegen zijn lippen, werkt dan gauw het laatste stuk gebak naar binnen. ,,Natuurlijk ben ik blij voor je, maar het is wel jammer voor mij. Wat ga je eigenlijk studeren?’’ ,,Communicatiewetenschappen. Ik vind het doodeng.’’ Hij knikt kort. ,,Dat kan jij wel joh, je bent slim genoeg.’’ Eigenlijk wil ik vreselijk boos op hem worden. Ik hem het nu al zeker tien keer gehoord, dat ik slim genoeg zou zijn. Stiekem wilde ik eigenlijk dat iemand mij zou stoppen, mij zou beschermen tegen mijzelf. Het opgeven van mijn veilige, stabiele situatie wordt op de één of andere manier door iedereen klakkeloos aanvaard. Opnieuw drukt hij het servet kort tegen zijn mond. Neemt langzame slok van zijn koffie. ,,Maar hoe gaat het eigenlijk met jou? Hoe was je week?’’, vraag ik hem. Pijn kun je nog het beste ontwijken door er omheen te praten, al is het slechts een illusie dat we onze aandacht op iets anders zouden kunnen vestigen. Pijn is nou eenmaal acuut en aanhoudend.

Toch hebben we het er niet meer over. Hij vertelt over het afronden van zijn studie, de druk die erachter zit. Ik hoor hem aan, stel vragen. Heel even wordt mij pijnlijk duidelijk waarom ik dit werk ooit gekozen heb. Het zo lang heb volgehouden. De aandacht voor de ander, vormt eigenlijk een soort vlucht van jezelf. In het lijden van de ander vond ik een vreemd soort troost. De wetenschap dat ik dat verlichten kon door te luisteren, maakte op sommige dagen dat ik zelf lichter door leven ging. Mijn eigen pijn verdween op zulke momenten naar de achtergrond, het werd onbelangrijk. Mijn keuze om de hulpverlening in te gaan, berust wellicht op een egoïstische.

,,De taart was dus een soort van zoete troost’’, zegt hij. ,,Ja, ik wist geen betere manier, ik ben hier niet zo goed in.’’ Hij lacht. ,,Het is prima, ik begrijp het.’’ Toch ga ik met een weeïg gevoel in mijn maag naar huis die dag.

De volgende dag vertel ik mijn psycholoog over de situatie. ,,Er is ook iets dat ik jou moet vertellen’’, zegt ze. ,,Ook ik neem afscheid van de hulpverlening. In augustus stop ik ermee.’’ Ik voel een steek in mijn maag. Maar ook ik lach. ,,Wat fijn voor je! Jammer voor mij natuurlijk.’’ Nu voel ik ineens hoe het voelt. Hoe de kwetsbaarheid zich in mijn borst nestelt en hoe daar tegelijkertijd de vreugde voor de ander is. Ik weiger te huilen. Bijt op mijn lip.

Thuis snijd ik een dik stuk caké af. Verdriet vraagt minstens om caké, desnoods om taart, om tegenwicht.