Koningsmarkt

Om vijf uur gaat de wekker. Ik sliep vannacht in de woonkamer van mijn bazin. Ik heb amper geslapen van de zenuwen. Normaal gesproken verstop ik mij op zulke dagen in mijn slaapkamer, het dekbed opgetrokken tot net iets onder mijn ogen. Alhoewel ik midden in een stad opgroeide, ontwen je de dingen sneller dan je denkt. De geluiden van een aanzwellende burenruzie, een groepje zingende tieners, de schrale bierlucht; ze stellen mij niet langer gerust.

Boven klinkt gestommel. Snel check ik mijn ochtendadem door een hand voor mijn mond te houden. Ik vergat mijn tandenborstel. Op het nieuws wordt een schietpartij getoond waarbij niemand gewond raakte. Mensen zijn onvoorspelbare wezens. Juist wanneer we ons op dagen als deze het meeste één voelen, dreigt er het meeste gevaar.

Op de trap klinken langzame voetstappen. ,,Goedemorgen!’’ Ik zit in kleermakerszit op mijn bed, een stekende pijn in mijn slapen vertraagt het denken. In haar ochtendtenue ziet ze er niet heel anders uit dan normaal. Ik vraag mij af wat ze van mij denkt en of mijn bleke huid haar niet afschrikt. ,,Thee?’’ Op mijn bed kijken we naar een item over tips voor een succesvolle verkoop. ,,Rankschik van klein naar groot’’, zegt de Europese verkoopkampioen op TV. ,,Ga nooit met je mobieltje in je hand achter je kraampje staan. En heel belangrijk, geef de mensen altijd een hand.’’ Een hand geven? Ik trek mijn wenkbrauwen op.

Ik zie al die plakkerige, ongewassen toilet- en patathanden al voor mij. ,,Dat laatste doe ik dus echt niet.’’ Mijn bazin lacht.

Om kwart over zes stappen we de deur uit. Ik ga lopend, zij gaat in de Piaggio. Onze spullen hebben we in de laadbak gepropt. Vreemd genoeg lijkt de ochtendlucht zuiverder dan in de avonden, alsof ze nog niet bevuild is.

Het is een bijzondere ervaring om een stad tot leven te zien komen. Een tweedeling wordt duidelijk; de eerste gemeentelui prikken afval uit een park, de laatste kroegtijgers hangen met wat blikjes bier en een radiootje in datzelfde park rond.

Bij de dranghekken treffen we elkaar. Ik weet niet wat ik zie. Ineens kom ik in een totaal andere wereld terecht. Talloze mensen die hun spullen uitspreiden op een kleedje. Ze zijn nog niet klaar of enkele koopjesjagers rekenen om kwart voor zeven de eerste spullen al bij ze af. Het zweet breekt mij uit.

Mijn bazin heeft een klein plekje weten te bemachtigen. ,,Het laatste plekje! Er zaten hier al mensen om vier uur ’s nachts.’’ Ik vloek.

Om elf uur zijn we de helft van onze spullen al kwijt. Het is droog, er is zon, de mensen zijn vrolijk en ik ben enigszins aangeschoten. Bij mijn buurvrouw koop ik een broodtrommel die ik niet nodig heb. Ik deel koekjes uit aan wildvreemden. Ondanks het gevaar van alle drukte, is dit het moment waarop de verbinding tussen mensen ineens weer voelbaar is. En heel even zijn we misschien wat minder alleen.