Laura Mijnders | Onderweg

ZUIDBROEK

Op station Groningen Europapark stap ik uit. Ik voel de spanning op mijn schouders drukken. Alsof iets in het universum mij kleiner wil maken dan ik werkelijk ben.

Wanneer ik het gebouw binnenstap voel ik gelijk de druk toenemen, de veroordelingen slaan je hier woordeloos om de oren. Ik leerde gisteren tijdens het lezen van een boek over communicatiewetenschappen hoe dit fenomeen werkt. De eigenschuldvuistregel. De opvatting die er in onze maatschappij heerst, is dat wanneer je in de uitkering komt te zitten, dit meestal je eigen schuld is. Mensen zijn hierdoor minder snel geneigd sympathie op te brengen, laat staan je te helpen.

Op den duur raak je ook zelf hiervan overtuigd. Echter denk ik dat niemand ooit alleen ergens schuldig aan kan zijn. Het leven is nu eenmaal wispelturig, kan je verlammen. ,,Heeft u een afspraak bij het UWV of het Werkplein?’’

,,Het UWV’’, mompel ik zacht. ,,Dan mag u zich melden bij de andere balie.’’ Braaf begeef ik mij naar de andere balie, waar een man met vriendelijke ogen vraagt of hij mijn brief mag zien. ,,In orde. U gaat de trap naar boven op en daar vind u aan uw rechterhand de wachtkamer van het UWV.’’

Mislukking is een wachtkamer vol mensen die spartelend op het droge liggen. Allemaal proberen we een gezicht hoog te houden, we spartelen erop los, bang om het weinige van het zelfrespect dat we nog hebben, te verliezen. Niemand wil geholpen hoeven worden. Maar soms zit er niets anders op.

Een aantal mensen is inmiddels opgehaald voor een gesprek. Zo gauw ze zijn vertrokken, nemen andere mensen hun plaats weer in. Naast mij vraagt een jongeman van buitenlandse afkomst voor de tweede keer aan zijn buurvrouw of hij hier goed zit. Hij zit hier al een tijdje. Ik houd mijn gezicht afgewend. Ik heb geen zin in sociale prietpraat. D’r in en d’r uit. Niemand heeft mij gezien.

,,Mevrouw Mijnders?’’ Een blondharige vrouw met harde trekken steekt haar hand naar mij uit. ,,Kom verder.’’ Ze loodst mij naar een semi beveiligde kamer toe. Alsof je regelrecht een gesprekskamer van de gevangenis in loopt. Geen persoonlijke spullen, een aparte ingang naar dezelfde kamer van twee verschillende kanten. ,,Je hebt dit gesprek zelf aangevraagd. Vertel, wat kan ik voor je doen?’’ Terwijl ze dit uitspreekt worden haar ogen zachter. Ze leunt wat meer naar voren. Ik word er zenuwachtig van.

,,Ik, eh. Ik voel me niet goed. Ik bedoel…de laatste tijd voelt het alsof alles mislukt. Ik probeer van alles. Maar het voelt alsof ik niet verder kom. Ik denk dat ik graag weer zou willen studeren.’’

De vrouw produceert een miniem glimlachje. ,,Zo gemotiveerd als jij zie ik ze niet vaak. Ik denk niet zozeer dat er iets mislukt, maar dat je onderweg bent naar iets anders.’’

Eenmaal buiten voel ik mij lichter dan voorheen. De druk op mijn schouders is iets afgenomen. Ik spartel niet meer, ik zwem.


Auteur

Redacteur