Laura Mijnders | Haastig

ZUIDBROEK

De laatste keer dat ik haar zag begreep ik maar weinig van de situatie. Ik was vier en midden in één van de zijkamers van de boerderij stond een grote zoemende tafel. Op de tafel lag oma. Haar handen gevouwen, haar lippen en ogen gesloten, net alsof ze aan het bidden was. Om het gevaarte heen had zich een handjevol familie verzameld. Ooms, tantes, mijn eigen vader en moeder. Sommige huilden, anderen stonden met hun handen in hun zakken naast de tafel. In de hoeken van de kamer hingen de eeuwige vliegenstrips. Ik dacht aan Doornroosje en dat ze op elk moment weer wakker zou kunnen worden. Mijn moeder veegde haar tranen weg met een verfrommelde zakdoek. ,,Oma is nu op een betere plek.’’ Ze tilde mij op bij mijn middel, zodat ik haar kon aanraken. Haar handen waren koud, en haar gezicht witter dan het tafellaken. Naar de begrafenis zelf mocht ik niet, mijn ouders vonden mij te jong. Mijn broertje en ik werden ondergebracht bij kennissen. Ik bleef maar vragen waarom ik niet mee mocht en waarom het zo lang duurde. Niemand gaf antwoord. Begrafenissen vorderen traag.

Mijn bazin vertelde mij deze week dat er iemand uit ons kantorencomplex is overleden. Telkens als er iemand overlijdt, speelt de scene met mijn oma zich weer in mijn hoofd af, alleen is het nu niet mijn oma en niet mijn familie rondom de zoemende tafel. De jongen was van mijn leeftijd. Meestal trof ik hem buiten wanneer hij stond te roken voor het complex. Telkens had ik hem haastig en enigszins nors gegroet, om vervolgens de trap naar boven op te stampen. De enige keer dat we elkaar wat langer spraken was toen er al dagenlang een stuk of twintig dozen met magazines onderaan te trap stonden. Niemand uit ons team had de moed gevat om de dozen naar boven te sjouwen. De jongen was net bezig om een paar van onze dozen naar boven te sjouwen toen ik, druk met mijn telefoon in mijn hand, de trap op liep. Voor het eerst vertelden we elkaar onze naam. Samen sjouwden we alle dozen naar boven. Ik vroeg hem wat hij deed. Hij vertelde dat hij energiecontracten verkocht en dat het goede handel was. Binnenkort zouden ze misschien naar een groter pand verhuizen. Hij wilde het werk niet zijn hele leven doen, dacht erover om weer te gaan studeren. Hij oogde alles behalve depressief.

Nu, een aantal weken later, is het zijn beurt. Zijn familie verzamelt zich om een tafel, zoekt een kist uit, schrijft kaarten.

Ik weet dat ik niemand kan redden, maar toch voel ik mij rot. In al die haastige momenten waarop ik hem passeerde, had ik geen enkele moeite gedaan om hem te zien. Altijd was er een excuus, altijd was er haast. Kunnen we gewoon niet eens ophouden met deze collectieve verslaving aan haast en elkaar verdomme weer eens in de ogen aankijken? Ik verzeker u, sommige momenten zijn het stilstaan waard.


Auteur

Redacteur