Laura Mijnders | Sprookje

ZUIDBROEK

,,Ze willen twee weken komen.”

,,Twee? Jezus...” Ik verslik mij in mijn koffie. Wanneer ik uitgehoest ben werp ik een blik op het telefoonscherm. Langzaam keer ik weer terug naar mijn lichaam. ,,Leuk, doe maar”, zeg ik gauw. Ik laat niet merken hoe bang ik ben. U moet weten; ik heb zelf nooit een kinderwens gehad. Ik wist vroeger niet eens zeker of ik wel een meisje wilde zijn. Ik was comfortabel met mijn lichaam, maar het vooruitzicht op een stel borsten stemde mij droevig. Ik wist toen nog niet hoeveel je voor elkaar kunt krijgen met een mooie voorgevel.

Nooit voelde ik mij ongemakkelijker dan wanneer er een baby in mijn handen gedrukt werd. Ik had en heb niets met al die onvoorspelbare wezentjes die bij het minste of geringste in een onbedaarlijk huilen kunnen uitbarsten. Ik droom wel eens over een uitvinding die de hersenen van zo’n wezentje scant en dit omzet in een duidelijke boodschap. Eten! Troost. Slaap. Weet ik veel wat baby’s nodig hebben...

Toen ik met mijn man trouwde, had ik mij nooit gerealiseerd dat ik er twee kinderen bij zou krijgen. Gratis, als een soort gift bag. Niet dat ik het erg vind. Het hele baby en kleuter stadium zijn ze al lang gepasseerd. Pubers zijn een stuk aangenamer. Ze communiceren wat ze van je nodig hebben en kunnen een paar uur alleen zijn als het moet.

Ik heb de kinderen al wel eens ontmoet toen we nog niet getrouwd waren, maar we speelden nooit echt een concrete rol in hun leven. Hun leven speelt zich af in het westen van het land. Het contact was voorzichtig. Wij wilden geen indringers zijn.

Vier weken geleden vroeg de jongste of we op zijn verjaardag wilden komen. We hoefden hier niet lang over na te denken. Een paar dagen geleden stapten we op de trein. Eindbestemming: Dordrecht. Op dat moment werd ik mij pas echt bewust van mijn rol in hun leven. Ik ben een ‘stiefmoeder’. Hun stiefmoeder. Dit maakte dat ik mij vreemd voelde. Ik had altijd stiefvaders- en moeders gehad maar was er zelf nooit één. Ik dacht aan wat mijn eigen stiefvaders- en moeders allemaal fout hadden gedaan, aan de talloze keren waarop ik wenste dat ze gewoon verdwenen. Er ontstond een totale paniek in mijn hoofd. Ik dacht aan Assepoester, Sneeuwwitje en alle andere sprookjes waarin het mis was gegaan. Wie leert je hoe het moet?

Op station Dordrecht omhelsden we elkaar. De paniek gleed van mij af. We hadden het over de reis, over school, over verjaardagen en alles wat we gemist hebben. We aten churros met Nutella in de stad. En het was goed. In de meivakantie komen ze twee weken hier. Het liefst bied ik ze alles en meer. Maar ik kies ervoor om te geloven dat we vooral graag bij elkaar willen zijn. Elkaar willen leren kennen. En dat dit genoeg is.


Auteur

Redacteur