Laura Mijnders | Springen

ZUIDBROEK

Met trillende handen wacht ik haar appje af. Het moet vandaag. Ik ken mijzelf. Een minuut later volgt de bevestiging. ,,Elf uur bij jou?’’ Ik voel de opluchting door mij heen stromen, strijk de brief nog eens glad.

Ik probeer mij zo goed als ik kan te concentreren op de gesprekken die ik voer met de mensen voor mij. Een vrouw, vastgelopen in haar depressie. Een man van middelbare leeftijd, teleurgesteld in het leven. Soms is het alsof ik meer tegen mijzelf praat dan tegen hen.

Om elf uur is ze er niet. Ik kijk op mijn horloge, zet de deur naar de gang wat verder open. Na een kwartier komt ze met kordate, snelle passen aangelopen. Ik doe alsof ik druk ben met allerlei mailtjes, maar ondertussen heb ik dat laatste kwartier alleen maar naar die brief zitten staren.

,,Zo. Hoe gaat het?’’ Ze kijkt me verwachtingsvol aan. ,,Ja goed. En met jou? Hoe verliep de teamvergadering?’’

Ze steekt een verhaal af over een collega die is vertrokken. Ik knik en zet een bedenkelijk gezicht op. Eigenlijk snap ik niet wat dat is met ons mensen. Wat we onszelf voorhouden. Waarom zeggen we niet meteen wat we denken? Ik voel het ongeduld in mijn vingers trommelen.

,,Fijn dat het productief verliep. De reden dat ik je vandaag wilde spreken is...” Ik voel mijn wangen rood worden, het trillen neemt toe. Mijn hoofd schreeuwt; het is nu of nooit! ,,...Is omdat ik mijn uren bij de afdeling wil opzeggen. Ik wil een studie gaan volgen. En kan de uren die daardoor vrijkomen goed gebruiken. Hier…’’

Ik reik haar de zorgvuldig opgestelde brief aan, zie hoe haar neusvleugels zich verwijden. ,,Ik heb het uitgezocht en de opzegtermijn is een maand, omdat het voor deze afdeling geen vast contract betreft.’’ Haar ogen scannen de brief. ,,Nee hoor, het is twee maanden.’’ ,,Op mijn contract staat dat het een tijdelijk contract betreft’’, zeg ik.

,,O…..ik vrees dat er in dat geval iets mis is gegaan bij de administratie. Afijn. Wat leuk dat je weer gaat studeren! Ik had het al een beetje verwacht. Ik zie hoe ambitieus je bent.’’

Het is dit soort complimenten waarop ik nooit iets weet te zeggen. Op de een of andere manier maken complimenten alles ongemakkelijk. Complimenten scheppen verwachtingen waarvan ik bang ben dat ik ze niet aankan. Toch knik ik.

,,Wat ga je eigenlijk studeren?’’ De realiteit is dat ik het niet weet. Maar dat zeg ik niet. In blinde paniek flap ik er een hees ‘communicatie en marketing’ uit. ,,Ah, helemaal jouw ding.’’ Ze knikt goedkeurend.

Misschien is het de zinloosheid van de februarimaand die dit soort beslissingen aanwakkert. Maar ik weet dat ik moet springen nu het nog kan. Nu ik nog gematigd gelukkig ben. Ze staat op en schudt mij de hand. Ontslag nemen is minder moeilijk dan het lijkt. Wel verdomme.

Nu begint het echte werk - een nieuwe bestemming vinden.


Auteur

Redacteur