Laura Mijnders | Vriendschap (1)

ZUIDBROEK

Ik kan mij niet herinneren ooit zo zenuwachtig te zijn geweest. Ik sta te drentelen voor de spiegel, wissel van outfit, breng morsig mascara op. Mijn haren probeer ik tevergeefs te krullen met een krultang.

Helaas, ik ben niet geschikt voor apparaten die maar enigszins met warmte te maken hebben. Dit had ik als kind al. Getuige zijn de littekens op mijn achterste. Maar dat is een ander verhaal. Tot overmaat van ramp krijg ik buiten een stortbui op mijn kop, waardoor ik er meer uit zie als een verloren wasbeertje dan een verfijnd, geslaagd wezen. Godverdomme, het lijkt wel een date.

In de trein peuter ik onhandig een elastiekje uit mijn jas. Ik drapeer mijn haar in een staart, verlos mijzelf van mijn wasberengezicht. Hoe zal ze eruit zien? Ben ik ‘te saai’ naar haar smaak geworden? Kan saai leiden tot een natuurlijke verwijdering tussen twee mensen? Ik peuter wat aan de trouwring rond mijn vinger. Rechts uit het raam zie ik een groepje Schotse Hooglanders lopen. Ze staan dicht tegen elkaar aan. Het lijkt alsof ze proberen te schuilen voor de regen die inmiddels is overgegaan in een milde miezer. Het leven is hard als je een Schotse Hooglander bent.

Haastig beweeg ik mij naar de AH to go, waar we vijf minuten geleden hebben afgesproken. Mijn mobieltje piept. Ik durf bijna niet te kijken. ,,Ik ben nog even naar het toilet. Kom eraan!’’ Ik herken haar bijna niet. Ze lacht. Ik denk aan de zin ‘wij zijn niet ons verleden’. Dat is in haar geval absoluut waar. Van enigszins mollig eendje, is ze uitgegroeid tot een prachtige, sierlijke Zwaan. Zou ze dansen? Ik gok op iets met ballet.

Ze valt mij vrijwel meteen in mijn armen. Ik ben blij dat zij het voortouw neemt. Ik weet de dingen vrijwel altijd ongemakkelijk te maken. Ik ontspan mijn schouders.

,,Sorry dat ik wat later ben.’’

,,Geen probleem. Waar zullen we heen?’’

Ze noemt een kroeg die ik niet ken.

,,Het is wel wat ver lopen.’’

Ik ril. ,,Ierse pub dan maar?’’

Ze knikt.

Binnen zit een handjevol mensen. Dit is waarom ik mij het liefste in een Ierse pub bevindt tijdens gesprekken. Je beweegt je in een soort tussenruimte. Half schaduw, half licht. Het is er veilig. Neutraal. Ongemak, verdriet, uitputting, het valt in dit licht allemaal minder op, doet minder pijn. Ik bestel een rode wijn en zij gaat aan de thee. Ik schaam mij lichtelijk. Maar voor zulke gesprekken is moed nodig. Ik vraag haar hoe het gaat. De aftastfase glijdt van ons af. We zijn twee oude vriendinnen, twee kindmeisjes die naar hartenlust herinneringen ophalen. Ik hoor nieuwe dingen over een versie van mij die ik vergeten ben. Of misschien verdrongen heb. Er wakkert een vuur in mij.

Ik verlang naar meer. Maar een ander deel van mij wil het liefste wegrennen van dit tafeltje, van de familiegeheimen, de herinneringen. Ik wil vergeten.


Auteur

Redacteur