Laura Mijnders | Sport

ZUIDBROEK

In de kleedkamer begint het. De rillingen, de herinneringen, mijn voeten die jeuken. Er schreeuwt iets in mij dat ik weg moet wezen. En wel NU.

Ik strip mijn kleding als een tweede huid van mij af. Snel maar behoedzaam. Besef dan dat ik geen slippers mee heb. Angstig kijk ik naar de vloer, die tergende natte vloer, waar zoveel mensentenen een waterige afdruk achter laten. Mijn vriendin vraagt of het gaat. Ik knik en verman mij.

De laatste keer dat ik een baantje trok, was ik een jaar of dertien. Met een jaar of vier werden we op zwemles gezet. Mijn vader had van zijn moeder in een vies watertje achter het huis leren zwemmen, want geld voor zwemles hadden ze niet. Hij gunde ons beter. Een talent, een doel.

Alhoewel ik een beetje een slome duikelaar bleek te zijn, ontwikkelde ik mij al snel tot een potentiele wedstrijdzwemmer. Ik haalde alle diploma’s, leerde andere kinderen redden, en werd met het junior waterpolo team Nederlands kampioen. Mijn moeder noemde ons liefkozend haar waterratjes. Maar vooral deed ik het voor mijn vader, die de enige ouder aan de waterkant was die nooit schreeuwde.

Ik zag de ontroering wanneer we de winst in de wacht sleepte. Ik genoot van die aandacht. Op mijn dertiende wilde ik opeens niet meer. Naast mijn nu maandelijkse probleempje, - waar ik mij diep voor schaamde en niet mee het zwembad in durfde -, kwam opeens die betegelde vloer in beeld. En op een dag kon ik er niet meer normaal overheen lopen. Ineens zag ik de vloer voor wat hij werkelijk was; bezaaid met haren, pleisters, schilfers en bacteriën.

Toen ik na die ervaring tegen mijn vader zei dat ik wilde stoppen met zwemmen werd hij woest. ,,Je bent zo talentvol, waarom gooi je dat in hemelsnaam weg?! Dit is jouw sport!’’ Ik kon het hem niet uitleggen en een tijd lang verbleef ik in de weekenden bij mijn moeder. Ik durfde geen van mijn teamgenoten of mijn vader nog onder ogen te komen.

Daarna concentreerde ik mij op nieuwe bezigheden. Hangen in de speeltuin of in de kroeg van mijn stiefvader, een beetje lezen en roken. Het water werd voorgoed verbannen. Inmiddels zijn ook mijn sokken uit en sta ik onbeschermd met mijn voeten op de vloer. Op mijn tenen probeer ik richting de ingang naar het zwembad te lopen. Dat mislukt jammerlijk en ik lijk wel één of ander gekkin, maar ik haal de deur. ,,We moeten nog even wachten tot de diepte goed is afgesteld’’, zegt mijn vriendin. ,,De kinderen hebben net zwemles gehad.’’

Tien minuten later trek ik mijn eerste baantjes. Het voelt vertrouwd, maar ik hijg erover. Ik heb het koud en krijg weinig lucht. Na tien baantjes begeef ik mij gauw naar het butjes- bad. Mijn vriendin knikt mij bemoedigend toe vanuit het bad voor gevorderden. Oké. Alles is oké.


Auteur

Redacteur