‘Nu zijn we mollebonen’

VEENDAM

,,Toen wij hier kwamen was het heel moeilijk in het begin, maar ons geluk was dat we zo goed opgevangen zijn”, verteld Afrim. De oudste van hun vijf zoons was 11 jaar, en de jongste een baby van 2 maanden. De familie woont inmiddels 25 jaar in Nederland. Het gezin heeft in de stad Prizren gewoond in het zuiden van Kosovo.

Afrim: “We hebben van alles meegemaakt. In 1991 pakten Servische militairen alle mannen vanaf 16 jaar tot en met 60 op. Wij werden als menselijk schild in een kamp gevangen gezet in een oude kazerne. Het was onzeker of je iemand de volgende dag nog weer terug zag. Er werd gemoord en je kon zo aan de beurt komen. Je zat zonder eten en drinken. Eten wat je op straat vond at je gewoon op, net als dieren”.

„Ik heb mazzel gehad dat ik na twee maanden heb kunnen vluchten.”

Fahire haar man kwam weer thuis, waar hij haar en de kinderen in de armen vloog.

Ze besloten te vluchten. Er werden wat persoonlijk dingen bijeengepakt voor een reis die via omwegen drie dagen zou gaan duren. De keus was Duitsland of naar Nederland. Het maakte Afrim en Fahire niet uit, het allerbelangrijkste was dat het gezin veilig was. Na lange omzwervingen kwamen ze terecht in Veendam.

Het gezin bracht vijf maanden door in een azc in Drenthe. Afrim: “In Wildervank zijn we heel goed opgevangen. Ook door de buren. Na twee maanden kregen we een verblijfsvergunning en moesten we verhuizen”.

Fahire: : ,, Maar alle buren vonden het jammer dat we weg gingen. Ze zeiden, we willen jullie hier houden. Gezamenlijk hadden ze een handtekeningactie gestart en een brief naar de gemeente geschreven. Of we konden blijven omdat we zo goed in de buurt pasten. De hele straat, en ook de Westerschool, heeft met de handtekeningactie meegedaan. De krant heeft er over geschreven.”

,,Het waren heel lieve mensen hier. De taal leren was het moeilijkst. Ik wilde het graag proberen en naar Nederlandse cursus gaan”. Door de contacten met de buren werd ook veel van de taal opgestoken. Afrim: “Ik wilde graag wat contact en had buurman ‘Corrie’ uitgenodigd om samen koffie te drinken. Hij praatte ook echt plat Gronings, en ik verstond er niets van. Nu wel, en kan ook een beetje Gronings. Ook de andere buurmannen kwamen bij ons koffie drinken. Zo hebben we kennis gemaakt”. Fahire: “Ik wilde graag wat leren en nodigde ‘oma Knoop’ uit op de koffie. En ‘oma Eling’ en ‘oma Riekie’, kom koffie drinken. Ze waren bij ons en met handen en voeten zo over dit en dat gepraat. We hebben ook een beetje Gronings geleerd. We hebben zoveel kennissen gemaakt. Binnen een jaar wisten we al hoe in Nederland een verjaardag werd gevierd. We zijn op begrafenissen en naar crematies geweest”.

Afrim: “We wonen hier nu 24 jaar. Ik wilde graag werken, weer mijn eigen boterham gaan verdienen. Twee en een half jaar heb ik bij Stichting De Wissel van Compaen gewerkt. In 1994 begon ik daar en was bij een project betrokken om voor oudere mensen en gehandicapten kleine klusjes te doen. Zoals tuinonderhoud. Bij Dorpshuis Bijleveld heb ik bardiensten gedraaid tijdens kaart- en sjoelavonden. Dat was heel erg leuk. Tot het moment kwam voor echt werk. In Open Haven kreeg ik van de gemeente een Melkertbaan. Zo werd ik assistent van de technische dienst. Ik heb een opleiding gehad en er veel geleerd. Daar heb ik 20 jaar gewerkt. Tot ik vorig jaar wegens bezuinigingen werkloos werd. Nu heb ik een nul uren contract in de facilitaire dienst bij ZINN Thuiszorgteam in De Burcht in Hoogezand. Maar ik heb daar geen volle uren en zit momenteel in de WW.”

Fahire heeft vier jaar lang mantelzorg verricht voor een oude mevrouw. Ook ’s nachts heeft ze voor haar klaar gestaan als er werd gebeld. Bij de Westerschool was ze vrijwilligster. De kinderen gingen daar naar school en als er iets georganiseerd werd hielp ze mee. Voor oma Eling maakte ze vaak eten klaar. Buurman Corrie vond haar gerecht met kip zo lekker.

Afrim: “Onze vijf jongens zijn allemaal de deur uit. Ze zijn in de buurt gebleven, maar onze vierde zoon wil iets van de wereld gaan zien en op een cruiseschip gaan werken. Fahire: “Als hij dat graag wil moet hij dat gaan doen. Afrim: “Ze zijn hier opgegroeid en het zijn echte Nederlandse jongens geworden. Ze weten weinig van de cultuur van hun vaderland”. Lachend: “Het zijn Groningse Mollebonen geworden.”

Afrim: „Kosovo is mijn vaderland, maar dat gevoel is nou weg. Eigenlijk hebben we er niets meer. Als je daar bent ben je eigenlijk een buitenlander. Je kent er niemand meer. Veel vrienden van mijn generatie zijn vermoord. Of gevlucht in Europa. De nieuwe generatie kent jouw niet, en andersom ook niet”.

„We hebben daar zoveel verloren, maar hier ook zoveel teruggekregen. Ik zei tegen mijn vrouw; als we met z’n allen maar gezond en gelukkig zijn. We kregen toen van heel veel mensen kleding, en dat vergeet je nooit meer. We hebben zelf vijf jongens, en we hebben vier kleindochters waar we trots op zijn. Het gaat goed met hen. Dat is onze grootste rijkdom. Nu zijn de kinderen groot. En ik ben na 20 jaar nu wel werkloos geworden, maar zolang de vaste lasten kunnen worden betaald, de nodige boodschapjes gedaan, en af en toe een klein cadeautje voor de kleinkinderen, zijn we gauw tevreden. We hebben het goed gedaan voor de nieuwe generatie. Ze hebben een toekomst”.

“Als je na de vakantie in Kosovo weer in Veendam in de straat loopt, en iemand roept; héé Afrim, geeft dat het gevoel dat dit je nieuwe vaderland geworden is”.

Fahire: “We zijn Veendammers geworden”. Afrim zegt lachend: “Wildervankers”. Fahire lacht mee: “Wildervankers, echt hoor.”


Auteur

Redacteur