Laura Mijnders | Bakkersvrouw

ZUIDBROEK

Ze doet nog een stap naar voren. Ik kan de haren op haar kin zien, het speeksel tussen haar lippen zien bewegen. ,,Ik moet nu echt naar mijn kinderen.''

Ik probeer een list te verzinnen, maar de woorden in mijn hoofd tuimelen over elkaar heen, raken verstrikt in een kluwen aan gedachten.

,,Okay'', zeg ik uiteindelijk. ,,Okay.'' Ze draait zich met een ruk om, loopt met grote snelheid richting de receptie. Ik moet mijn pas flink versnellen. Bij de receptie blijft ze staan. Even zie ik haar vertwijfeld kijken, maar dan loopt ze vastberaden richting de schuifdeuren, die niet open gaan. Met een kort knikje naar de dames achter de balie, probeer ik ze duidelijk te maken dat het goed is, dat de deuren open mogen.

Buiten is het onaangenaam warm. ,,En nu?'', vraag ik.

,,Naar de bus natuurlijk. Je weet toch nog wel waar we wonen dommie?''

,,Natuurlijk'', knik ik. We steken de weg over. Ze wijst een bankje aan.

,,Zo.'' Ze werpt een korte blik op haar horloge. ,,Hoe laat komt de bus eigenlijk?''

,,Ehm. Om vijf over elf'', zeg ik gauw. ,,Hoe oud zijn uw kinderen eigenlijk?''

,,Vijf en elf. Flinke jongens al hoor. Ze helpen vaak mee in de bakkerij. Ze willen het zelf. Ik dring ze niets op. Een goede moeder geeft kinderen de ruimte om eigen keuzes te maken.''

Ik kijk naast de vrouw die naast mij zit. Hoogbejaard, stellig overtuigd van een wereld die allang niet meer bestaat. ,,Ik denk niet dat de bus vandaag nog komt. We zitten hier al een uur.''

,,Dan gaan we lopen. Dat deed ik vroeger ook wel eens hoor. Het valt best mee.''

,,Zullen we dan eerst een kop koffie gaan drinken aan de overkant?'' Tot mijn opluchting staat ze op. Op de stoep kijken we naar het voorbijgaande verkeer. Het begint te miezeren. ,,Nu.'' Ze laat haar hand in de mijne glijden. Hij kleeft, voelt ruw en warm aan. Samen lopen we richting de receptie. Ik vraag mij af of het vreemd is dat ik de hand van een vrouw vasthoud die ik nauwelijks ken. Ik zou haar zo kunnen meenemen. Pas bij de medicijnronde zouden ze afvragen waar ze eigenlijk gebleven is.

De dames van de receptie verwelkomen ons met een grote glimlach. Lekker gewandeld samen? Ze buigen zich half over de balie heen, spreken op overdreven harde toon. ,,Die zijn gek'', fluistert ze.

,,Ze denken vast dat we doof zijn. Of getikt.''

Ze lacht hard om haar eigen grap. In de bezoekersruimte drinken we een bak sterke koffie. Ik doe meer suiker in de koffie dan ze mag hebben. Met een smoes weet ik haar uiteindelijk richting de afdeling te lokken. Daar plant ik haar neer in een stoel bij het raam. ,,Ik ben moe'', zegt ze.

,,Je hebt ook hard gewerkt vandaag. We hebben veel broden verkocht.'' Ik plant een vlugge kus op haar voorhoofd, laat haar nog even bivakkeren in de bakkerij, een wereld die ze eens kende.


Auteur

Redacteur