Laura Mijnders | Bedacht

ZUIDBROEK

Ik had alles de dag van tevoren uitgedacht. Hoe ik haar zou begroeten, waar we wat zouden gaan drinken en waar we het over zouden kunnen hebben. Op mijn mobieltje had ik de weersvoorspelling opgezocht.

Tegen de avond viste ik alle overbodige spullen uit mijn handtas. Over de houten reling op de overloop hing ik twee setjes kleding. Beide niet te opzichtig, maar ook niet te bescheiden. Nadat ik met de laatste controles mijzelf voldoende gerust had gesteld, plofte ik naast mijn man op de bank.

We keken een comedy. De hele avond lachte ik nergens om, ik bleef maar kijken naar het schermpje van mijn telefoon, die inmiddels met mijn hand vergroeid leek te zijn. De volgende dag laat ik mijn borsten dankbaar meeliften op de voorgevormde BH. Het is warm. Plakkerig. Ik trek een zwierig rokje aan, kies voor weinig make up. Voor de spiegel houd ik mijn buik in. Ik vraag mij af of ze het zal zien. Wie ze zal zien. Ik knijp voorzichtig in de vetrandjes die zich door de jaren heen rondom mijn buikgebied hebben verzameld.

Tien uur dertig. Gauw graai ik mijn spullen bij elkaar. Inmiddels onzeker geworden over alle ontblote lichaamsdelen, fiets ik op hoge snelheid het dorp door. Tijdens het wegzetten van mijn fiets zie ik verschillende hoofden draaien. Voornamelijk van mannen, maar ook van vrouwen en een groepje pubers. Ik neem hen niets kwalijk. Eerder schaam ik mij voor mijzelf, de behoefte om mij aan die blikken vast te klampen. Als een soort stilzwijgende bevestiging neem ik ze voor mij in en denk ‘je bent nog jong, je doet nog mee.’

In de trein probeer ik wat te lezen. Allerlei scenario’s nestelen zich in mijn hoofd. Het lezen gaat niet. De rest van de rit leun ik met mijn hoofd tegen het raam. De ogen gesloten, mijn handtas stevig tegen mijn kleverige borst geklemd.

,,Station Groningen, het eindpunt van deze trein. Ik wens u nog een fijne dag.”

Ik besluit lopend richting het café te gaan. Ik ben een kwartier te vroeg. Ik besluit dat ik dit niet zal zeggen. Ik zal doen alsof ik net heel relaxt ben komen aankakken. Cool. Ongemakkelijk sta ik voor het café. Ik weet niet waar ik mijn handen moet laten, wat ik met mijn armen aanmoet. Steeds denk ik haar in wildvreemde vrouwen te herkennen, opzoek naar iemand die mij uit mijn ongemak kan verlossen.

Uiteindelijk zie ik een zwaaiende gestalte op een OV- fiets. Zonder te kijken steekt ze de straat over. Ik weet nog steeds niet wat ik met mijn handen moet. Nadat ze haar fiets heeft weggezet, draait ze zich naar mij om. Ik steek een slap handje uit, maar ze omhelst me, houd mij net wat langer vast. Ik voel mijn huid tintelen, mijn borst ontspannen. Ik denk niet langer aan de vetrandjes rondom mijn buik of aan wat ik zeggen wilde. Lachend stappen we het café binnen.


Auteur

Redacteur