Laura Mijnders | Bevrijding

ZUIDBROEK

In de buurt met koophuizen hangt er bij bijna elk huis wel eentje halfstok. In het bijstandsbuurtje waar ik woon, spot ik er welgeteld twee. Als kind geloofde ik dat alle dingen leefden. De stoeptegels, de kruiwagens, het speelgoed, vlaggen, alles kreeg een naam. Alles had pijn.

Bezweet race ik op mijn knaloranje fiets verder, een restje kinderen springt net op tijd opzij – over enkele ogenblikken zullen ze door geërgerde moeders naar binnen geroepen worden. Een jongen van een jaar of zestien, schriel – een verveelde uitdrukking op zijn gezicht - sleept een

zwaar supermarktbord naar binnen. ,,U bent nog net op tijd mevrouw.” Hij tikt op zijn horloge. ,,Over vijf minuten gaan we sluiten.” Ik parkeer de fiets tegen een muurtje en glip gauw naar binnen.

Binnen drie minuten sta ik bij de kassa. Het meisje knippert met haar ogen. ,,Zo, dat was snel." Ze lacht. ,,Tja, het is makkelijk als je weet wat je moet hebben." Op de band schuiven een fles rode wijn, frambozenpudding, een kaart van het Groningse landschap, koetjesrepen en tampons voorbij. Ik sla mijn ogen neer. Ik weet hoe het lijkt, wat ze denkt. Vroeger probeerde ik nog enigszins moeite te doen. Ik kocht elke maand weer meer dan ik nodig had, zodat ik een excuus had om het sneue doosje tampons onder een berg van onopvallende boodschappen te begraven. Veilig, in dat provisorische fort, zou het misschien niemand iets deren.

,,Dat wordt dan tien euro en vijftien cent." ,,Mag ik er nog een pakje sigaretten bij?" Het meisje knikt. Eenmaal buiten fiets ik langs de haven via een zijstraat mijn buurt weer in. Ik zwaai naar kennissen. In een van de huizen verderop is twee weken geleden het ziekenhuisbed – dat er drie maanden heeft gestaan – verdwenen. Iedereen uit de buurt weet wat dat betekent, niemand weet hoe je er mee om moet gaan.

Thuis peuter ik de kaart uit zijn plastic verpakking en staar er naar. Wat zet je op zo’n kaart? Gecondoleerd? Sterkte met uw verlies? Als ik iets kan betekenen.......? Ik breek een stukje van een half afgekloven koetjesreep af en stop het in mijn mond. Uiteindelijk kies ik voor sterkte en noteer ik onze namen.

Rond acht uur stap ik naar buiten, de kaart in mijn hand. De meeste mensen zitten stil voor de televisie, hun handen gevouwen, de kinderen vermanend. Denken ze aan oorlog? Of staan ze zichzelf de vrijheid toe om te denken aan andere zaken?

Om één over acht stop ik de kaart door de brievenbus van het huis waar het ziekenhuisbed verdween. Daar blijf ik staan. Ik kijk naar het huis, de stapels post op de keukentafel, de wassende kat. Ik denk aan de strijd die de vrouw leverde. Het zijn vaak juist de oorlogen die in onze eigen huishoudens woeden, de oorlogen waar je ondanks ogenschijnlijke vrijheid, nooit helemaal vrij van raakt.


Auteur

Redacteur