Laura Mijnders | Orgeltje

Zuidbroek

Mijn vader kocht afgelopen zaterdag een orgeltje. Een stoffig, oud gevaarte, met allerlei knopjes. Vol trots vertelde hij dat hij hem in een kringloop in Makkum op de kop had getikt. ,,Voor maar acht tientjes!" En ze kwamen hem er nog voor brengen ook.

Mijn broer en ik hadden hem verdwaasd aangekeken. Daar stond mijn vader trots te zijn, midden in de kamer. Een uitwaaierende kale plek op zijn hoofd, brandgaten in zijn rafelende blouse, de versleten oude mannen pantoffels onder de sjofele, bruine broek. Even zagen we hem voor wat hij was, een kind gevangen in een oud mannenlichaam, klaar om elk moment naar de deur te sprinten. Mijn moeder bracht ons koffie en koekjes op een zilveren dienblad. Dat deed ze alleen wanneer ze wist dat er bezoek zou komen. De kamer was gestofzuigd, ze had haar beste rok aangetrokken. Al die opwinding om iets wat binnen vijf minuten gebeurd zou zijn. Ik onderdrukte een lach. Mijn broer zat in een stoel met de krant voor zich de sector sport door te nemen. ,,En hoe denkt mam over het orgeltje?" vroeg ik niemand in het bijzonder. Mijn broer sloeg nog een pagina om, mijn moeder zweeg. Mijn vader verdween richting het toilet. Ik stortte mij weer op de sudoku in het gedeelte van de krant dat mijn broer voor mij opzij had gelegd. Mijn vraag loste op in de lucht. ,,Ach",  zei mijn moeder na een tijdje. ,,Ik gun je vader zijn lol. Over een half jaar is hij er op uitgekeken, en verkopen we het ding weer.'' Ik nipte wat van mijn koffie. Het was nog te heet, ik verbrande mijn gehemelte en vloekte zachtjes. ,,Mam, denk jij niet dat pa beter..........?" Ik kon de ogen van mijn broer vanachter de krant in mijn borst voelen branden. Op dat moment ging de bel. ,,Hanny! Wil jij even opendoen?", schreeuwde mijn vader. ,,Ik kom er aan hoor." Mijn moeder stond op, streek haar rok glad en schuifelde richting de deur. De regen sloeg tegen de ramen. Ook ik stond op en schoof ongemakkelijk wat dingen aan de kant. Mijn vader kwam de trap af gestormd, zijn gulp stond nog open. Twee dikkige mannen in werkkleding sjouwden onder veel gesteun en gekreun het orgeltje naar de juiste plek. Er druppelde zweet op de vloer. Mijn vader deed alsof hij meehielp, wees waar het orgeltje moest komen te staan maar was dit eigenlijk alweer vergeten. Mijn moeder vroeg of de mannen nog koffie wilden, maar ze sloegen af. Zodra de mannen waren vertrokken inspecteerden we het ding. Mijn vader drukte de stekker in het stopcontact en knikte goedkeurend. Daarna drukte hij op een aantal knopjes en ging op het krukje zitten, met mijn broer dicht naast hem. Daar zaten ze. Twee mannen. Ze speelden. Ze lachten. Ik zag dezelfde handen, dezelfde kalende plekken. Heel even zag ik ze ontsnappen aan iets onverklaarbaars.

Auteur

Bram Hulzebos