Laura Mijnders | Ontgekken

ZUIDBROEK

We hadden besloten om nog wat van de vakantie te maken. Vissen, dat was goed voor een mens, had de psychiater gezegd. Ik had het idee dat hij het meer tegen zichzelf had gehad dan tegen ons. Terwijl Melle de boot samen met mijn man en Sven te water laat, sta ik er wat verloren bij te kijken.

In mijn linkerhand houd ik een plastic tas met broodjes vast. Ik blijf mijzelf voorhouden dat ik nuttig ben, dat ik de broodjes gesmeerd heb, maar op de een of andere manier voel ik mij los van de rest. Alsof ik al in het water drijf en een andere kant op ga dan de rest.

De boot belandt met een plons in het water. Mijn man wuift. ,,Kom! Ga jij maar als eerste.’’ Sven wil de plastic tas alvast in de boot leggen, maar ik druk hem stevig tegen mijn borst aan. Als eerste stap ik de boot in. Melle zet de auto weg terwijl Sven spullen blijft aangeven; een bakje maden, vishengels, een tas met tangetjes, een zakmes en autosleutels. In opperste concentratie probeer ik de boot zo praktisch mogelijk in te richten. De hengels leg ik onder de banken. De tas zet ik tussen mijn benen. Sven en ik gaan in het midden zitten, mijn man voorin en Melle bestuurt de boot. Na wat aanrommelen met de motor, komt de boot stotterend in beweging.

Ik vraag aan Sven hoe het gaat met zijn vriendin, hoe het werken bevalt. Hij grijnst. ,,Ik zit weer thuis.’’

Melle laat de motor stilvallen. Mijn man wijst. ,,Daar, dat lijkt mij wel een mooi visplekje.’’ Terwijl we ons langzaam in de richting van de betonnen rand laten drijven, trek ik een flesje wijn open. Een half flesje maar, meer niet. Valse bescheidenheid noemde mijn man het eens.

Sven stapt als eerste uit, hij maakt het touw vast aan een paaltje op de rand. Mijn man en Melle stappen ook uit. Ik blijf alleen in de boot achter. Zelfverzekerd pak ik het bakje met maden en haal er twee dikke uit. Een voor een prik ik ze aan de haak. Vroeger zou ik dit ranzig gevonden hebben. Het is een goed idee dat je leert om je eigen eten te vangen, zonder je er schuldig over te voelen, had mijn man gezegd. We waren het eens geweest; het was belangrijk. Wanneer de wereld instort, moet je weten hoe je vuur maakt, hoe je water filtert, je eigen eten vangt.

Zo blijven we een tijd zitten, drie mannen op een betonnen rand en een vrouw in een boot. Na een tijdje gaat mijn dobber onder. Razendsnel geef ik een ruk aan de hengel. Walging en trots wisselen elkaar af terwijl ik de vis binnenhaal. Snel ontdoe ik hem van de haak in zijn lip. Mijn man glundert van trots. Voor het eerst tijdens deze vakantie, voel ik mij kalm. Misschien zelfs een beetje minder gek.


Auteur

Redacteur